Tenny Frank

Aangekomen

 

In twaalf stappen is de tijd aangekomen

bij de uiterste paal van het vervlogen jaar,

een tijdspanne in het bestaan zo beperkt,

zo snel in wolken opgelost maar o zo gul.

Ik denk aan een zegel met nieuwe opdruk,

aan het kind verdiept in het mysterie van

wat komt en gaat, wat begint en eindigt;

alle dagen die opstaan en ten einde gaan.

 

Ik denk aan een wereld in opschudding die

het woord  vrede niet kent, traag en haastig

is, in al zijn gedaanten en metamorfosen.

Wereld waarin de een de ander vermoordt,

verkettert, liefkoost, bemint, zoent en doodt.

Mensen aan de macht spreken over oorlog,

de gewone man haat deze vuile adder onder

z'n mat en het tuig dat koppen heeft gekost.

 

Zo gaan wij trippeltrap omhoog, elk jaar weer,

vanaf de eerste gil tot onze allerlaatste snik.

We liggen, we hangen, we rennen, we zuipen,

we dansen, we zingen, we vliegen, we vallen.

We dromen van hete lange zomers op de zon

maar altijd weer glijden we naar kille ijspegels

totdat het jaar daarop nog naamloze stormen

onze hersenspinsels verjagen en begraven.

 

 

Fortuna

 

Geleerd dat geluk

in het moment schuilt.

 

Even een vonk

tussen jou en mij.

 

Binnen één seconde

is de ronde gedaan.

 

Jij luisterde naar mij,

een paar snelle zinnen

 

Boorden zich een gat

in jouw open gelaat.

 

Jij keek naar mij

jouw pupillen speelden

 

Met mijn ogen waarin

het licht en donker werd

 

Een trilling in de stem

even, heel even maar

 

Geleerd dat geluk

in het moment schuilt.

 

 

 

Man en vrouw

 

Een vrouw weet nog heel weinig van de man,

Het is gissen in diepe meren van meningen,

Soms wantrouwen dat tot uiterste kilte drijft,

Bij vlagen haat dat tot ijzig stilzwijgen leidt.

 

Een man weet nog veel minder van de vrouw,

Een gretig verlangen verstomt zijn verstand,

Verwondering verwaaid in slingers van lust,

Opwinding versluierd in kussens van de taal.

 

Zij zal, gedreven door angstaanjagende driften,

Meegezogen in grondeloze diepten, opgetild tot

Eenzame hoogten nog lang sprakeloos blijven.

 

Als een rups in haar cocon, ingekeerd is Zij.

Naar buiten gericht in zijn gloeiend geluid,

Sterk, gekweld, verdwaasd en verloren is Hij.  

 

Vreemd

 

Vreemd

zoals de mensen gaan.

Het zijn net dingen.

Je hebt ze even

Je gebruikt ze

Je stopt ze weg

Je denkt eraan

Je vergeet ze

Je ziet ze weer voor je

Je zou willen weten

waar ze liggen

Je zoekt ernaar

Je loopt de straten af

Je laat je ogen glijden

langs spiegels

Je snuffelt in cafés,

inhammen en gangen.

 

Je kunt ze niet meer vinden.

Nooit. Nu niet, morgen niet

overmorgen misschien, of

aan het einde  van de rit

als alles begraven is

vindt iemand op een dag

dat ene ding, dat ene gezicht

dat een eeuw was zoekgeraakt.

 

 

Geluk is verplicht

 

Geluk is verplicht

met alle kankerstoffen

van het Hier en Nu,

in een kunstmatige

onafgebroken euforie.

Gevoel van welbehagen

ondergedompeld in meren

van wellust met eromheen

bergen van vlees en

schimmelschimmen.

 

In de wijn verdwijnen

de hersencellen in het rood

van een verloren passie.

De sigaret dooft aldoor

dagvreugde met rokersgeld.

Het zijn kringen geblazen

uit onvervulde dromen

opgegaan in walmen

van weemoed en vergif

als vriiendelijke dooddoener.

 
   

 

Terug naar vorige pagina