Op dat moment
Als de zon achter de horizon verdwijnt En de vogels eerbiedig zwijgen Schaduwen oplossen in het niet En alles een andere vorm doet krijgen Dan zou ik willen dat je bij me was
Als de wind de bomen ruisen doet Het vee een plek zoekt om te schuilen De merel en de lijster staken hun lied Als teken dat de hemel straks gaat huilen Dan zou ik willen dat je bij me was
Als voorzichtig het eerste morgenlicht Weerkaatst op
bedauwde spinnenwebben
Als er een witte deken over de aarde ligt Nog ongerept en zonder sporen Je dampend je eigen adem ziet En je de stilte over het land kunt horen Dan zou ik willen dat je bij me was
|
Stamboom
Mijn vader was Zoals ook zijn vader Maar ik ben er nog Zoals ook mijn zoon En zijn zoon er nog zijn
Ik ben de scheidslijn Tussen de levenden En de doden Als ik er niet meer ben Zal mijn zoon dat zijn
En mijn moeder Zult u vragen Ja mijn moeder de lieve schat Die heeft me
negen maanden gedragen
|
|
Onzichtbaar
Ik ben onzichtbaar geworden Niemand ziet mij nog staan Ze lopen door zonder te kijken En ik kan overal naar binnen gaan Zonder dat men vraagt, ‘wat doet u daar?'
In de spiegel ben ik nog wel te zien Een oudere man met grijze haren Maar je moet wel goed kijken Want op de vraag wie er verder nog waren Aarzelt men en heeft geen antwoord klaar
Op straat lopen ze tegen me aan In winkels gaat mijn beurt verloren Ze nemen niet de moeite om te kijken Als ik iets zeg, schijnen ze het niet te horen Al maak ik nog zo veel misbaar
En ook jij die eens hield van mij Ziet me niet meer binnenkomen Gaat gewoon door met televisie kijken Je ziet niet dat
ik bloemen heb meegenomen
|
Jij
Verscholen in je cocon Jij die vroeger vlinder was En vloog zo hoog je kon Wacht nu op wat er gaat gebeuren
Met de deuren dicht Jij die eens rende door de velden En schaterde in het heldere zonnelicht Zit nu te wachten en te treuren
Achter het raam alleen Jij eens het middelpunt van En vriend of vriendin van iedereen Kijkt uit op een straat met grauwe kleuren
In een lichaam moe en oud Jij die altijd nog kunt verlangen Naar iemand die je in zijn armen houdt Zit daar en wil vooral niet zeuren |
|
Herinnering aan haar
Ik herinner mij haar parelende lach Toen ze de golven tegen zich liet breken En later toen ze op het zand te slapen lag Heb ik lang naar haar gekeken
Op haar huid kleefde korreltjes zand En haar badpak, nat van het zoute water Lag achteloos weggeworpen op het strand Zo werd het toen alsmaar later
Soms op een koude winterdag Als ik langs het strand loop in gedachten Zie ik weer dat meisje dat daar te slapen lag
Waterdroppels op haar huid en in haar haren En ik die op haar ontwaken te wachten zat Een herinnering die ik eeuwig wil bewaren
|
Een dag als andere dagen
Als het eerste morgenlicht de gordijnen nog gesloten vindt En ik in de warmte van het bed nog lig te dromen als een kind Is de dag al reeds begonnen zonder mij
Als de zon in het middaguur de schaduwen kleiner maakt En ik mijn eerste biertje drink, dat nog naar kattenpis smaakt Dan is het moeilijkste moment alreeds voorbij
Als de schemering valt en de zwaluw laag over het water scheert En ik verlekkerd kijk naar een meisje dat mij haar kont toe keert Laat ik me weer drijven op het kerend tij
Als de straatlantarens het duister van
de nacht verzachten
|
|
Goede raad is duur
Stel je voor; Haar zachtgroene ogen, laconiek onder langwimperige oogleden Haar rossig rode haar heeft ze kortgeknipt alsof ze een kwajongen is Haar zachte lijnen zijn als die van een renpaard onbereden En haar benen langer en verwarrender dan de geschiedenis
Denk je in; Onder haar onberispelijke rok de aanhoudend nervositeit van haar billen Boven de welving van haar buik verheffen zich haar borsten teer Haar soepel bewegen als een roofdier dat zijn honger probeert stillen En haar schoot nodigt als om te zwemmen in een glashelder meer
Vreemdeling, ze is niet voor jou Het ware beter je nu onmiddellijk terug te trekken Je bevindt je hier op uiterst gevaarlijk terrein Vertrek voordat zij de lust in je kan wekken Vraag het je vrouw Vraag het je lieve oude moeder Neem het van mij aan Je zult haar weer verliezen en nooit meer gelukkig zijn
|
De walvis
Wat nietig zijn wij toch en naakt Zelfs met onze kleren aan Hebben wij niets van wat de walvis heeft Die met zijn staartvin schepen kraakt En opduikt uit de blauwe oceaan Als een flatgebouw boven de golven Om dan zonder rimpeling weer onder te gaan De zee achterlatend vlak en zonder spoor dat hier de walvis leeft
Zijn gratie doet de roem verbleken Van schoonspringers met olympisch goud Naast hem lijken ze stram en oud Als ze het wateroppervlak met hun lichaam brek |
| Ben ik te laat
Ben ik te laat? vroeg zij na jaren Ben ik nog steeds degene op wie je wacht? en ik stond met mijn mond vol tanden want hoe moest ik haar nu verklaren dat ik op haar wachtte dag en nacht
Dat ik haar gezocht had in drukke straten Op volle stranden tot aan de horizon En achter iedere gesloten deur Haar daarom was gaan haten Haten, omdat ik haar maar niet vinden kon
En nu ze daar was met een blos op haar wangen En ogen die zeiden; Toe kus me toch Verstarde ik in plaats van me te verblijden En moe van het jaren lang verlangen Keerde ik me van haar af en verliet haar alsnog |
De regels van het spel
Zonder dat ze het ziet Moet ik om haar huilen Niet van verdriet Maar om haar voorzichtig proberen Om gelukkig te zijn En om de vele keren Dat het haar niet lukt Ik herken dat wel Uit een ver verleden Het was maar een spel Dat jongens en meisjes deden En dat waarschijnlijk nog zo gaat Zonder mededogen Wordt er tegen elkaar gelogen En eeuwige trouw beloofd Maar aan haar stralende ogen Zie ik dat ze het gelooft |
|
Een woord
Ik zoek een woord Dat het ochtendlicht beschrijft De zonnestraal die even op de vensterbank verblijft En dan afdwaalt naar jouw gezicht
Ik zoek een woord Voor de geur die ochtendkoffie heeft Het voldane gevoel dat de bevrediging mij geeft Als ik kijk terwijl jij nog te slapen ligt
Ik zoek een woord Voor de groeiende onzekerheid Die sterker wordt met het verstrijken van de tijd En mij langzaamaan te gronde richt
Had ik maar dat ene woord Dat mijn angsten zou verdrijven En jou besluiten
deed om bij mij te blijven |
Stenen tijd
Als ik stil sta Gaat alles aan mij voorbij In het jachtig ritme Van een gaande en een komende rij Die langs mij trekken
Behalve muren van steen Die staan hier al door de eeuwen heen Te wachten tot ik doorloop
Was ik maar die kademuur Die de zee kan breken Waarover geliefden in de verte staren En waarlangs des avonds wordt geflaneerd Als ik verviel werd ik gerestaureerd En na eeuwen was ik nog niet bezweken
In mijn voegen groeit mos Hier en daar zitten misschien wat stenen los Maar er wordt steeds over mij uitgekeken
|
|
Verlaten kan ik niet
De vrouw en het kind die aan de kade wachten Zijn eerste zinnen op het nog lege blad papier Als ik het opschrijf bestaan ze echt Ze staan dan aan een verlate kade, niet ver van hier En kijken het schip na dat wegvaart in mijn gedachten
Terwijl ik over de wind in de zeilen zit te schrijven En over de boeg die door de hoge golven klieft Probeer ik hun bestaan te vergeten Maar ik hoor ze roepen; “kom toch terug alsjeblieft” Waarom wil je niet voor altijd bij ons blijven
Doch ik ga daar waar het avontuur mij wenkt Om mijn angsten uit te schreeuwen op de donkere zee Terwijl mijn tranen inktvlekken maken Vaar toch niet uit zonder mij, maar neem me mee Schrijf ik terwijl zij mij mijn koffie brengt
|
De huwelijksdag
Al draagt ze nu het witte kleed Haar maagdelijkheid is ze reeds lang verloren Er is zelfs een kind uit haar geboren Al was het onvolgroeid toen de arts het in de emmer deed
Toch gooit ze lachend het boeket omhoog Bloemen die ook zij eens heeft gevangen O, hoe kan ze naar die tijd terug verlangen Toen ze nog kon zeggen: Ik heb je lief zonder dat ze loog
Nu heeft ze dan toch voor het altaar gestaan Iets waar ze vroeger zo van kon dromen Het is er dan nu toch eindelijk van gekomen En hij heeft beloofd, haar echt nooit meer zal slaan
|
|
Weemoed
Waar kun je door de bomen het bos nog zien Hand in hand wandelen door het goudgeel graan Waar vind je nog ramen die in het voorjaar openstaan waaruit zachte pianomuziek naar buiten klinkt
Waar dragen meisjes nog gebloemde zomerjurken Witte sokjes en een gesteven petticoat onder hun rok De bolderwagen die je vader langs de vloedlijn trok op weg naar het rode water ijsje dat je altijd kreeg
Waar bloeit de klapkroos nog in het wuivend koren Zwemmen er nog stekelbaarsjes in de poldersloot En waar is het dorpje aan de horizon in het avondrood zonder de torenflat waardoor het uitzicht wordt ontnomen
Waar wappert nog schoongewassen wasgoed aan de lijn Bollen witte beddenlakens nog vrolijk in de lentewind En waar kun je nog met je bal spelen als kind zonder gevaar te lopen om te worden dood gereden |