Verlangen naar vervlogen tijden
Gedichten van Floor Voerman
 
Op dat moment

 

Als de zon achter de horizon verdwijnt

En de vogels eerbiedig zwijgen

Schaduwen oplossen in het niet

En alles een andere vorm doet krijgen

Dan zou ik willen dat je bij me was

 

Als de wind de bomen ruisen doet

Het vee een plek zoekt om te schuilen

De merel en de lijster staken hun lied

Als teken dat de hemel straks gaat huilen

Dan zou ik willen dat je bij me was

 

Als voorzichtig het eerste morgenlicht

Weerkaatst op bedauwde spinnenwebben
De madelief en de vergeet-me-niet
Hun bloemknop nog gesloten hebben
Dan zou ik willen dat je bij me was

Als er een witte deken over de aarde ligt

Nog ongerept en zonder sporen

Je dampend je eigen adem ziet

En je de stilte over het land kunt horen

Dan zou ik willen dat je bij me was

 

 

Stamboom

 

Mijn vader was

Zoals ook zijn vader

Maar ik ben er nog

Zoals ook mijn zoon

En zijn zoon er nog zijn

 

Ik ben de scheidslijn

Tussen de levenden

En de doden

Als ik er niet meer ben

Zal mijn zoon dat zijn

 

En mijn moeder

Zult u vragen

Ja mijn moeder de lieve schat

Die heeft me negen maanden gedragen
Dus die heeft haar lol gehad

 

 

Onzichtbaar

 

Ik ben onzichtbaar geworden

Niemand ziet mij nog staan

Ze lopen door zonder te kijken

En ik kan overal naar binnen gaan

Zonder dat men vraagt, ‘wat doet u daar?'

 

In de spiegel ben ik nog wel te zien

Een oudere man met grijze haren

Maar je moet wel goed kijken

Want op de vraag wie er verder nog waren

Aarzelt men en heeft geen antwoord klaar

 

Op straat lopen ze tegen me aan

In winkels gaat mijn beurt verloren

Ze nemen niet de moeite om te kijken

Als ik iets zeg, schijnen ze het niet te horen

Al maak ik nog zo veel misbaar

 

En ook jij die eens hield van mij

Ziet me niet meer binnenkomen

Gaat gewoon door met televisie kijken

Je ziet niet dat ik bloemen heb meegenomen
Je zwijgt, en ik, ik wacht en sta daar maar

Jij

 

Verscholen in je cocon

Jij die vroeger vlinder was

En vloog zo hoog je kon

Wacht nu op wat er gaat gebeuren

 

Met de deuren dicht

Jij die eens rende door de velden

En schaterde in het heldere zonnelicht

Zit nu te wachten en te treuren

 

Achter het raam alleen

Jij eens het middelpunt van

En vriend of vriendin van iedereen

Kijkt uit op een straat met grauwe kleuren

 

In een lichaam moe en oud

Jij die altijd nog kunt verlangen

Naar iemand die je in zijn armen houdt

Zit daar en wil vooral niet zeuren

Herinnering aan haar

 

Ik herinner mij haar parelende lach

Toen ze de golven tegen zich liet breken

En later toen ze op het zand te slapen lag

Heb ik lang naar haar gekeken

 

Op haar huid kleefde korreltjes zand  

En haar badpak, nat van het zoute water

Lag achteloos weggeworpen op het strand

Zo werd het toen alsmaar later

 

Soms op een koude winterdag

Als ik langs het strand loop in gedachten

Zie ik weer dat meisje dat daar te slapen lag

 

Waterdroppels op haar huid en in haar haren

En ik die op haar ontwaken te wachten zat

Een herinnering die ik eeuwig wil bewaren

 

Een dag als andere dagen

 

Als het eerste morgenlicht de gordijnen nog gesloten vindt

En ik in de warmte van het bed nog lig te dromen als een kind

Is de dag al reeds begonnen zonder mij

 

Als de zon in het middaguur de schaduwen kleiner maakt

En ik mijn eerste biertje drink, dat nog naar kattenpis smaakt

Dan is het moeilijkste moment alreeds voorbij

 

Als de schemering valt en de zwaluw laag over het water scheert

En ik verlekkerd kijk naar een meisje dat mij haar kont toe keert

Laat ik me weer drijven op het kerend tij

 

Als de straatlantarens het duister van de nacht verzachten
En ik zat de kroeg verlaat, mijn hoofd vol prachtige gedachten

Loop ik naar huis toe, opgewekt en blij

 

 

Goede raad is duur

 

Stel je voor;

Haar zachtgroene ogen, laconiek onder langwimperige oogleden

Haar rossig rode haar heeft ze kortgeknipt alsof ze een kwajongen is

Haar zachte lijnen zijn als die van een renpaard onbereden

En haar benen langer en verwarrender dan de geschiedenis

 

Denk je in;

Onder haar onberispelijke rok de aanhoudend nervositeit van haar billen

Boven de welving van haar buik verheffen zich haar borsten teer

Haar soepel bewegen als een roofdier dat zijn honger probeert stillen

En haar schoot nodigt als om te zwemmen in een glashelder meer

 

Vreemdeling, ze is niet voor jou

Het ware beter je nu onmiddellijk terug te trekken

Je bevindt je hier op uiterst gevaarlijk terrein

Vertrek voordat zij de lust in je kan wekken
 

Vraag het je vrouw

Vraag het je lieve oude moeder

Neem het van mij aan

Je zult haar weer verliezen en nooit meer gelukkig zijn

 

 

De walvis

 

Wat nietig zijn wij toch en naakt

Zelfs met onze kleren aan

Hebben wij niets van wat de walvis heeft

Die met zijn staartvin schepen kraakt
 

En opduikt uit de blauwe oceaan

Als een flatgebouw boven de golven

Om dan zonder rimpeling weer onder te gaan

De zee achterlatend vlak en zonder spoor dat hier de walvis leeft

 

Zijn gratie doet de roem verbleken

Van schoonspringers met olympisch goud

Naast hem lijken ze stram en oud

Als ze het wateroppervlak met hun lichaam brek

 

Ben ik te laat

 

Ben ik te laat? vroeg zij na jaren

Ben ik nog steeds degene op wie je wacht?

en ik stond met mijn mond vol tanden

want hoe moest ik haar nu verklaren

dat ik op haar wachtte dag en nacht

 

Dat ik haar gezocht had in drukke straten

Op volle stranden tot aan de horizon

En achter iedere gesloten deur

Haar daarom was gaan haten

Haten, omdat ik haar maar niet vinden kon

 

En nu ze daar was met een blos op haar wangen

En ogen die zeiden; Toe kus me toch

Verstarde ik in plaats van me te verblijden

En moe van het jaren lang verlangen

Keerde ik me van haar af en verliet haar alsnog

 

De regels van het spel

 

Zonder dat ze het ziet

Moet ik om haar huilen

Niet van verdriet

Maar om haar voorzichtig proberen

Om gelukkig te zijn

En om de vele keren

Dat het haar niet lukt

Ik herken dat wel

Uit een ver verleden

Het was maar een spel

Dat jongens en meisjes deden

En dat waarschijnlijk nog zo gaat

Zonder mededogen

Wordt er tegen elkaar gelogen

En eeuwige trouw beloofd

Maar aan haar stralende ogen

Zie ik dat ze het gelooft

Een woord

 

Ik zoek een woord

Dat het ochtendlicht beschrijft

De zonnestraal die even op de vensterbank verblijft

En dan afdwaalt naar jouw gezicht

 

Ik zoek een woord

Voor de geur die ochtendkoffie heeft

Het voldane gevoel dat de bevrediging mij geeft

Als ik kijk terwijl jij nog te slapen ligt

 

Ik zoek een woord

Voor de groeiende onzekerheid

Die sterker wordt met het verstrijken van de tijd

En mij langzaamaan te gronde richt

 

Had ik maar dat ene woord

Dat mijn angsten zou verdrijven

En jou besluiten deed om bij mij te blijven
Dan schreef ik het op in dit gedicht

Stenen tijd

 

Als ik stil sta

Gaat alles aan mij voorbij

In het jachtig ritme

Van een gaande en een komende rij

Die langs mij trekken

 

Behalve muren van steen

Die staan hier al door de eeuwen heen

Te wachten tot ik doorloop

 

Was ik maar die kademuur

Die de zee kan breken

Waarover geliefden in de verte staren
 

En waarlangs des avonds wordt geflaneerd

Als ik verviel werd ik gerestaureerd

En na eeuwen was ik nog niet bezweken

 

In mijn voegen groeit mos

Hier en daar zitten misschien wat stenen los

Maar er wordt steeds over mij uitgekeken

 

Verlaten kan ik niet

 

De vrouw en het kind die aan de kade wachten

Zijn eerste zinnen op het nog lege blad papier

Als ik het opschrijf bestaan ze echt

Ze staan dan aan een verlate kade, niet ver van hier

En kijken het schip na dat wegvaart in mijn gedachten

 

Terwijl ik over de wind in de zeilen zit te schrijven

En over de boeg die door de hoge golven klieft

Probeer ik hun bestaan te vergeten

Maar ik hoor ze roepen; “kom toch terug alsjeblieft”

Waarom wil je niet voor altijd bij ons blijven

 

Doch ik ga daar waar het avontuur mij wenkt

Om mijn angsten uit te schreeuwen op de donkere zee

Terwijl mijn tranen inktvlekken maken

Vaar toch niet uit zonder mij, maar neem me mee

Schrijf ik terwijl zij mij mijn koffie brengt

 

 

De huwelijksdag

 

Al draagt ze nu het witte kleed

Haar maagdelijkheid is ze reeds lang verloren

Er is zelfs een kind uit haar geboren

Al was het onvolgroeid toen de arts het in de emmer deed

 

Toch gooit ze lachend het boeket omhoog

Bloemen die ook zij eens heeft gevangen

O, hoe kan ze naar die tijd terug verlangen

Toen ze nog kon zeggen: Ik heb je lief zonder dat ze loog

 

Nu heeft ze dan toch voor het altaar gestaan

Iets waar ze vroeger zo van kon dromen

Het is er dan nu toch eindelijk van gekomen

En hij heeft beloofd, haar echt nooit meer zal slaan

 

 

Weemoed

 

Waar kun je door de bomen het bos nog zien

Hand in hand wandelen door het goudgeel graan

Waar vind je nog ramen die in het voorjaar openstaan

waaruit zachte pianomuziek naar buiten klinkt

 

Waar dragen meisjes nog gebloemde zomerjurken

Witte sokjes en een gesteven petticoat onder hun rok

De bolderwagen die je vader langs de vloedlijn trok

op weg naar het rode water ijsje dat je altijd kreeg

 

Waar bloeit de klapkroos nog in het wuivend koren

Zwemmen er nog stekelbaarsjes in de poldersloot

En waar is het dorpje aan de horizon in het avondrood

zonder de torenflat waardoor het uitzicht wordt ontnomen  

 

Waar wappert nog schoongewassen wasgoed aan de lijn

Bollen witte beddenlakens nog vrolijk in de lentewind

En waar kun je nog met je bal spelen als kind

zonder gevaar te lopen om te worden dood gereden

 

 

 

Terug naar vorige pagina