Toen ik een Nieuw Leven ging beginnen...
(worsteling van Man met zijn Noodlot)
Die drang om een Nieuw Leven te beginnen? Daar hebben we allemaal wel eens last van. Velen
doen dat op Nieuwjaarsdag en sommigen ook wel nadat zij wakker zijn geworden met die afgrijselijke kater. Maar dat zijn toch geen echt serieuze voornemens. Dat zijn eendagsbevliegingen.
Die visioenen zijn zó weer over. Maar bij mij stak dat dieper, en geen mens kan beweren dat ik er
niet hard tegenaan ben gegaan. Dat ik niet heb dóórgedouwd. Ozo.
Ik ben er alleen nog steeds niet achter, waarom en hoe dat Nieuwe Leven op zo'n gluiperige manier zo verdacht veel op het Ouwe Leven is gaan lijken. Misschien ziet de lezer dat beter en scherper dan ikzelf. Maar laat ik mijn relaas ordelijk beginnen.
En nu wil ik er niet omheen draaien en zal dus starten met er ruiterlijk voor uit te komen, dat ik in
bepaalde periodes van mijn leven op schandelijke wijze de feestneus heb uitgehangen. De playboy, gewoon. Meestal van mijn zelfverdiende geld - dat wel - maar het komt volgens vele mensen eigenlijk niet te pas. In deze tijden de Great Gatsby spelen? Dat kun je gewoon niet meer máken, man. Zo luidde tenminste het oordeel van de Belastingdienst. Een inhumaan oordelende instelling, zonder compassie met menselijke zwakheden of besef voor inheems persoonlijk leed. Want in het jaar 1955 hadden mijn tweede vrouw Annelies en ik elkaar verlaten. Daar vloeit leed uit voort. En in dergelijke gevallen komen doorgaans van beide zijden mensen aansnellen om de treurende partijen te steunen en te vertroosten.
In mijn geval geschiedde dit door Jonge Jan van Ees. Dat is natuurlijk de zoon van Ouwe Jan van
Ees, en dát was de legendarische acteur, vooral bekend geworden als Paul Vlaanderen. Jonge Jan
was ook al aardig legendarisch, maar op een wat andere manier. Er bestond ook een hechte band
tussen Jonge Jan en mij. Want vrij kort tevoren was Jonge Jan óók aan een Nieuw Leven begonnen.
Jan was namelijk gaan trouwen met mooie Miesje Bianchi, en nu moest het maar eens uit zijn met het raldaldallen en het links en rechts versieren van fraaie poezen. Nietwaar? In zulk een geval dient men als pril echtgenoot te zorgen dat de schoorsteen kan blijven roken, en dat er brood op de plank ligt. Dat lag nu juist bij Jan een tikkeltje moeilijk, want van alle soorten bedrijvigheid die hij in zijn dertigjarige leven had uitgeoefend, stond er geen enkele in een officiële beroepenlijst. Er bestonden ook geen diploma's voor. Maar van één ding wist Jan vrijwel álles: van kroegen.
Dus Jan kocht een enorm Minangkabauws houten bouwsel op Kaageiland, genaamd: De Bontekoe . Het ding staat er nog, maar het is lang niet meer zo'n lekkere fijne, romantische bouwval als toen.
Het is nu wel mogelijk om een wrakke kroeg over te nemen, en die nijver op te kalefateren en fris
in de verf te zetten, maar er moeten ook mensen in gaan komen, die weer een hoop andere mensen kennen en die allemaal graag iets nuttigen. Dát grondprincipe had Jan heel goed door.
Ik woonde toen als Gezagvoerder-Weduwnaar aan boord van het dubbelschroefmotorschip MAIA, en Jan kwam in zijn schoonvaders motorboot langszij varen, met een kruik jajem bij zich. “Weet je wat jij moet doen?” opperde hij opbeurend. “Niet gaan kniezen, man! Niet gaan zitten treuren. Want zoiets wordt je ondergang. Als je een keer aan kniezen begint, dan kneis je het leven met meer.”
“Meen je dat nou?” vroeg ik geschrokken.
Hij legde een ervaren hand op mijn kwijnende schouder. Een vaste, mannelijke greep. Je ziet dat op films van John Wayne en zo.
“Kerel - sla je motoren aan en kom bij ons op het Eiland liggen. Het is hier veel te eenzaam tussen al dat riet en die boeren. Je moet onder je eigen soort van volk blijven. Zo nu en dan eens goed lachen... ook al bloed je van binnen.”
“Aaaah!” zei ik begrijpend. “Lach dan, Paljasso...”
“Precies. lk stam zelf uit een acteursfamilie. The Show Must Go On. Gedraag je als een vent, Willem. Kop op en ga mee. Drinken we eerst samen een barrel rum leeg bij mij in de kroeg. Kunnen we misschien wat wijven op stang jagen. Stuurboordschroef volle kracht en bakboord uit. Vaar een Nieuw Leven tegemoet.”
“Vooruit dan maar!” zei ik.
Het duurde niet lang, of ik had het niet onaardig voor elkaar. Geen gekwijn en geen bloed van
binnen. Er lagen daar op dat verkapte pirateneiland twee kroegen dichtbij elkaar aan het water: De Bontekoe en Het Kompas . Die hadden elk natuurlijk een eigen lap terrein, met wat aanlegsteigers, maar... tussen die twee uitspanningen in liggen (nu nog) enkele houten bungalows, pal achter elkaar.
De eerste (aan het water) huurde ik erbij, en een tijdje later kwam Peter Schilperoort met zijn Inge in de volgende te wonen.
“O, wat gezellig!” zult u nu misschien uitroepen. Lieve lieden - zoiets is levensgevaarlijk. Moet u
zich even voorstellen dat ik daar tussen de twee waterterrassen van kroegen in zat, met dertig meter privé-heg en gekleurde lichtjes rondom mijn dakrand. Je leefde daar als op Hawaiï, en zonder last van Amerikanen. Kijk eens - als je boeken schrijft voor de kost, en je bent niet helemáál afzichtelijk, en je ligt daar nootbruingebrand in een ligstoel met wat feestelijke meisjes om je heen, terwijl de terrassen aan beide kanten berstens vol zitten met dagjesvolk dat twee uur in een file staat en dan nog een halfuur moet wachten op een glaasje lauwe pils: dan komt er van
gedisciplineerd werken niet zo erg veel. Wie werkt er nou op Tahiti of Samoa?
Nou ging dat een ongeloofwaardige tijd goed. Want die Bob Evers-boeken van mij kregen herdruk na herdruk na herdruk (dat heb ik aan u, mijn lezers, te danken, overigens). En van elk boek, eenmaal geschreven maar herdrukt, levert toch elk verkocht exemplaar idem zoveel dubbeltjes op. Kassa ping... En als je dan al zo'n achttien titels geregeld in herdruk hebt...
Natuurlijk is niet altijd alles geheel volmaakt. Zelfs in het Aards Paradijs school er nog een slang onder het gras. Het regende wel eens een enkele dag, en zo af en toe bevond zich tussen de prettige post een blauwe envelop van de Ontvanger der Directe Belastingen, maar zeg nou zelf: wie maakt er midden in een feest een Aanslagbiljet open? Ook in Hemingway's “Moveable Feast” wordt daar nergens over gerept. Dus zulke missives werden met achteloos gebaar opzij gegooid in de Doos Met Hinderlijke Stukken. Maar in grote lijnen bleef het een aantrekkelijk leven. We] wat uitputtend, maar daar moet je maar tegen kunnen. Geen bestaan voor wie niet stevig in de schoenen was geplant. Ik heb daar achtenswaardige dochters van politiecommissarissen binnen de kortste keren zien omturnen tot opsporingsobjecten voor vaders eigen korps. Een Zwarte-Kousen-dominee met een stem, waarin het gerinkel van helleketenen en het geknars der tanden dóórklonk rende midden in de nacht in onderkledij brullend weg door de weilanden en is nimmermeer teruggekomen om zijn bovenkleren op te halen. Dit geeft, in sobere trekken, enig idee. En deze achtergrondschets is absoluut onmisbaar voor een goed aanvoelen van wat nu komen gaat.
Het kwam te tien uur op een maandagmorgen.
Ik was juist bezig, mijn ene oog open te krijgen om te kijken wat mijn andere oog te wachten stond, toen Jan van Ees door de voordeur (die vrijwel nooit op slot was) naar binnen kwam daveren:
“Willem! Je uitgever is aan de telefoon!”
“Verdommese uil!” gromde ik. “Je wéét toch dat je moet zeggen dat ik er niet ben, en ze wel terug zal bellen?”
“Ja, allicht”, zei Jan. “Maar er is iets heel bijzonders aan de hand, zeggen ze. Echt geen gezeur of
dat volgende boek nou al af is of niet. Kom nou heus maar mee.”
Jan heeft ervaring genoeg om dergelijke zaken zuiver te kunnen beoordelen. Dus ik strompelde achter hem aan naar De Bontekoe . Daar lag de telefoonhoorn op het buffet te wachten.
“Ja, met Willem.”
“Luister, zeg - we willen je even waarschuwen. Er zijn net twee kerels van de Belastingdienst hier geweest. Je hebt belastingbeslag op alles. Bij al je uitgevers. Niet alleen bij ons. We mogen je geen van allen meer één cent uitbetalen. Dus hou er rekening mee.”
“Ik begrijp het hoor”, zei ik met goed gespeelde verheugenis. “Dank je wel voor de vlotte boodschap.”
Jan van Ees kon dan uit een toneelspelersgeslacht stammen - maar hij was bepaald niet de enige op dat eiland, die kon acteren. Ik legde de hoorn neer, geeuwde en strekte mijn rug een beetje.
“Laten we samen maar een ochtendbiertje nemen, Jan”, zei ik. Want ach - die paar biertjes meer of minder... Is daar niet een of ander oud spreekwoord over? In het veen kijkt men niet op een neutje, of zoiets? “En geef ons er eigenlijk maar een Bokma bij.”
Maar geleidelijk-aan begon het wel tot mij door te dringen, dat er ineens een Geheel Nieuwe Situatie was ontstaan. Want, kijk eens: ik betaalde mijn kasteleins bij vlagen. Als de opgelopen rekening zo tegen de duizend gulden lag, belde ik Meppel op en vroeg: “Kunnen jullie me wat geld sturen op de rekening-courant?”
En als het dringend was, stuurden ze het telegrafisch. Ik kwam eens op ontdekkingsreis door de landelijke dreven van Uden (Noord Brabant) een prairlebloem tegen met de naam: Tonny Hommeles. Daar werd ik op het primaire gezicht zó mateloos verliefd op, dat ik met haar eindigde te Valkenswaard. Toen was mijn geld op. Maar één telefoontje was voldoende om drie uur later nieuw wittebroodskapitaal poste restante aan te treffen op het postkantoor van Rosmalen.
Aan het eind van het jaar maakten we dan op de uitgeverij de kasstand op. Maar nu was plotseling, op een maandagmorgen te tien ure, de geldbron opgedroogd. Dat betekende het einde van mijn wittebroodsjaren. Het betekende ook, dat ik de lopende rekeningen van mijn kasteleins ineens niet meer kon voldoen. Ik nam dus een fles rum mee onder de arm (op de nog steeds werkende lat) en trok me terug in mijn feestbungalow. Schonk daar mezelf een fikse bel in, en ging uit mijn ooghoeken zitten loeren naar de Doos met Hinderlijke Stukken. Toen de fles iets meer dan half leeg was, had ik voldoende moed verzameld om de doos om te keren en er al die blauwe Aanslagbiljetten uit te vissen. Het was een hele stapel. Er zaten ook allerlei Aanmaningen bij. Dat waren een soort van prentbriefkaarten van een heel andere kleur. Of ik vooral aan hen wilde blijven denken.
Na enig zoeken vond ik een schaar en daarmee knipte ik alle enveloppen netjes open. Haalde alle witte papieren eruit en keek naar de Bedragen in de Laatste Kolom. De honderdjes rekende ik maar niet eens - ik telde alleen uit het hoofd de afgeronde duizendjes op. Gemiddeld komt dat toch overeen uit. Vervolgens kreeg ik behoefte aan wat frisse lucht. Dat kon je geen financieel gàt meer noemen - dit was een finaricieel ravijn!
Bij een dergelijk monetaire gaping - zoiets als je tegenwoordig over die ontwikkelingslanden leest - komt men er niet met wat financieel leukoplast of een morele transfusie van dubbele wodka. Hier was een harde chirurgische ingreep vereist. Een sanering à la Hjalmar Schacht of Piet Lieftinck. Ik ging wat op de steiger zitten, blikte weemoedig uit naar de zon die die onderging boven de watertoren van Sassenheim, en sprak:
“Willem - oude jongen - het feest is afgelopen. Maar het was wél mooi while it lasted.”
Vervolgens ging ik mij gedragen zoals een Man betaamt. Ik nam de oude varkensleren koffer, die
ik veel te lang onder mijn feestbed had laten bestoffen, en verpakte daarin de navolgende kledij: Een paar stevige schoenen
enkele ruige truien
wat paren schapenwollen sokken
een werkmansoverall
wat shirts en wat ondergoed
het eerste hoofdstuk van het lopende Bob-Eversboek en ook:
één net blauw pak, met:
zwarte schoenen, het klassieke witte overhemd, zijden sokken en de nette das (want men weet toch maar nooit of er niet ineens ergens een ex-vrouw of ander familielid gaat overlijden).
Ik knipte de koffer dicht en kleedde mijzelf in:
een oude zeilpet met koperen marine-anker
een ingewerkte zeiljopper
redelijk gebruikte schoenen
en manchester timmermansbroek
een blauwe marinetrui.
In deze kostumering wachtte ik tot het donker werd. Daarna nam ik een hamer plus een handvol ferme spijkers en timmerde rondom mijn feestbungalow de ramen en deuren stevig dicht. Vervolgens ging ik, met opgewekte tred, op weg naar de pont. Geen gezeur over een achtergelaten antiek stoeltje of ge-urm over een pak leuke grammofoonplaten. Ik wist precies wat ik ging doen: ik ging een Nieuw Leven Leiden. En dat zou bestaan uit het nemen van drie maatregelen:
a. Ophouden met feesten
b. Hard aan het werk gaan (in de haven van Amsterdam)
c. Trachten een regeling te treffen met de Belastingen.
Men ziet eventuele accountants en reclasseringsambtenaren welke dit lezen, goedkeurend knikken. Omdat ik als rasecht playboy alles op rekening deed, en bij vlagen betaalde, had ik zelden ruim contant geld in de broekzak. Ik begon mijn Nieuw Leven met niet meer dan ongeveer 15 gulden. Maar wat zou dat? Ik was nog altijd die loot uit een Groningse scheepsbouwersfamilie, en dat volk staat voor niks! Piraten zijn het in hun bloed, allemaal. Dus toen ik in de NZH-bus zat, en Schiphol voorbijreed, róók ik de lucht van de Amsterdamse haven al. Bovendien stonden de kranten in de vroege jaren 50 vol met berichten dat ze in die haven zo'n tweeduizend man aan knuisten tekort kwamen. Nu hèb ik knuisten... als het moet. Dus het leek mij een heel kouwe kunst om me effe te melden met de kreet:
“Jongens - hier ben ik. Mijn naam is Willem. Waar staan de kisten en de balen? Welke schuit moet het eerst worden gelost?”
Ik verwachtte daar dan weliswaar geen lintje voor te krijgen, maar van de andere kant meende ik wel te mogen verwachten, dat men oprecht verheugd zou blijken over iemand die nu eens ophield met waardeloos feesten en zijn steentje wilde bijdragen tot de opbouw van Nederland. En ook meende
ik me te herinneren dat er ergens geschreven stond: “Er zal meer vreugde zijn in de Hemel over één zondaar die zich bekeert dan over een stelletje zeikerts...” of iets dergelijks. Nou dan.
Ik arriveerde met de bus aan het Centraal Station met nog iets meer dan een tientje op zak. Het was begin april en ik schonk een wat weemoedige blik aan het toen daar nog staande Noord Zuid
Hollands Koffijhuis, waar ik menigmaal met een meegaande dame op het lage terras aan het water had getoefd. En terwijl ik, van boven af, met afscheidnemende blik op dat terras neerblikte, zag ik dat enig personeel daar juist bezig was aan het plaatsen van de eerste stoeltjes en tafeltjes voor het nakende seizoen. Het was een winderige dag met onverwachte plekken hemelblauw en flarden wolk.
Echt lekker weer voor iemand die in de haven gaat werken.
“Ach”, dacht ik, “laat ik daar één afscheidskopje koffie gaan drinken.”
Ik daalde de lange houten trap af en zette me aan een der eerstgeplaatste tafeltjes neer. Een
doorgroefde kelner keerde zich opmerkzaam naar mij om:
“U bent er vroeg bij, dit jaar.”
“Ach ja”, zei ik. “Bent u al open voor één kop koffie?”
“Voor u altijd, meneer.”
Tja... zulke relaties blijven nu eenmaal over uit een vroeger leven. Maar ik zag het gevaar daarvan meteen in.
“Geen cognacje erbij, meneer?”
Zie je wel! Daar had je het al.
“Nee nee”, zei ik vastberaden. “Vandaag niet.”
Ik deed juist de klontjes in de koffie, schoof de oude schipperspet wat naar achteren en wreef langs mijn ongeschoren kakement, toen ik schuins omhoog, vanaf de brug, een heldere meisjesstem hoorde: “Willem! Ben jij dat?”
Ik, het wel degelijk zijnde, blikte zijwaarts omhoog. En ontwaarde mijn zuipvriendin Willy (bekend van Eylders en Politiebureau Leidseplein). Ik prevelde de klassieke duivelsbezwering: “Ga achter mij, Satan!” en wuifde haar droogjes met een losse hand toe. Achter mij hoorde ik haar rappe hakjes de houten treden af roffelen.
“Wat ben jij er dit jaar vroeg bij, zeg.”
“Yeah”, gromde ik (uit één mondhoek, à la Humphrey Bogart in “African Queen”. Doet het heel
goed onder een ouwe schipperspet.)
“Heee... drink jij koffie?”
Ik kneep de ogen wat dicht en keek mysterieus over het water naar de koepel van de Sint Nicolaaskerk.
“Coffee. Sure.” (Min of meer à la Gary Cooper).
En nou komt de automatische reflex. Die verdomde welgemanierdheid die er nooit uit wil slijten.
Wij zijn soms wel onbeschoft, maar nooit ongemanierd.
“Wil jij óók koffie?”
Zij zette zich behaaglijk neer met haar tasje naast zich op de planken vlonder. En begon me te
bekijken.
“Je hebt een koffer bij je, zie ik. Ga je uit logeren?”
“Nou, nee”, zei ik, met gebaren te kennen gevend dat er nog een koffie diende te komen. Van mijn tientje werk- en levenskapitaal, nog wel. De duivel hale alle vrouwen. Daarna voegde ik haar toe:
“Nee, Willy - het logeren is voorbij. Ik ga in de haven werken.”
Willy schoof met al haar aantrekkelijkheden enkele centimeters naderbij en haar oogjes begonnen
op te glinsteren. 216
“O, vertel eens. Ga je nieuw materiaal opdoen voor je boeken?”
“Nee!” zei ik, zo bits als doenlijk. “lk heb gewoon veel te veel geld uitgegeven.”
“Oh ja... Op de Kaag, zeker.”
Die verdomde Willy had daar enige tijd bij me gelogeerd. Die kon er dus over oordelen.
“Ja”, zei ik, diepdoorvoeld. “Onder andere op de Kaag. Ik heb belastingbeslag op alles. Dus moet
ik als de sodemeraphazen aan het werk. Mijn schulden afbetalen. Dus niks meer feesten. Niks meer mooie meiden. Gewoon aanpakken. Klauwen uit de mouwen. Havenwerk.”
“O, wat flink van je.”
Toen kwam haar koffie.
“Meteen betalen”, zei ik, en gaf een kwartje overtip. Het is verdommes lastig om die restant-gewoontes uit een Vorig Leven kwijt te raken.
“En waar ga je nou wonen?”
“Griet!” riep ik gedempt, doch ongeduldig. “Dat is nou het allerlaatste probleem, zeg. Waar wóón
je als je in een haven werkt? Ergens op een hok met een bed, zoals alle losse arbeiders wonen. Die zijn toch zeker ook allemaal onderdak?”
Besef wel, lieve lezer, dat we in die tijd nog niet één gastarbeider hier binnen de grenzen hadden. De mensen waren toen nog zo dom, dat ze in hun eigen land wilden werken voor de kost. Het woord gastarbeider bestónd toen nog niet eens. We waren allemaal knus Nederlanders die lekker onder mekaar ruzie maakten. Tegenwoordig ben je al aristocraat als je gewoon: Jansen heet.
Mijn uitbarsting deed haar zwijgen, maar niet lang.
“Want weet je”, zei ze met doorduwende tact, en haar meest ontwapenende muzikale stemmetje. “lk woon al enige tijd op een hele etage in een van die ouwe huizen bij het Frederiksplein.”
“Zozo”, zei ik. “Die gaan ze afbreken. hè?”
“O, maar nog lang niet, hoor. Nu heb ik daar een heel grote achterkamer met een balkon, en daar
heeft een schilder op gezeten. Maar die is vorige week weggegaan, en dat staat leeg, dus als jij...”
“Geen sprake van!” riep ik in lichte paniek. “O nee. Dan zit ik wéér meteen midden in die hele artistieke Eylderskliek. Allemaal gezellige zuiplappen. Ammenooit niet. Bovendien kan ik dat niet betalen. lk moet al mijn schulden amortiseren, en dus...”
“Maar Willem - je hóéft me niets te betalen, want...”
Humprey Bogart, John Wayne en Gary Cooper smolten weg als sneeuw voor een wassende zon. Het zweet begon me licht op het voorhoofd te klammen. Ik slokte gehaast de rest van mijn koffie op, kwam met schier bovenmenselijke wilskracht overeind, bukte me en greep de wachtende koffer. Met erbinnenin het paar werkschoenen - de overall - de wollen sokken...
“Geen sprake van, Willy”, bracht ik uit. “Ik zie je nog wel.”
Toen ik stoer met de koffer over de brug liep, keek ik wat schichtig zijwaarts naar beneden. Zij zat een tikje perplex alleen achter dat kopje koffie. Als die stomme Samson hetzelfde gedaan had met
Delilah...
De eerste horde was genomen.
Nu was er nog een kleine praktische moeilijkheid. Het is natuurlijk heel verstandig om in zulke omstandigheden sober in een haven te gaan werken, maar dat wilde natuurlijk niet zeggen dat ik van plan was om een levenscarrière als dokwerker op te gaan bouwen. In moeilijke tijden werkte William Faulkner als huisschilder. Zo zijn er honderden voorbeelden. De een gaat om subsidie zeuren en de ander steekt de handen uit de mouwen en wordt bedrijfsleider in een hoerekast.
Ik had twee Bob Evers-boeken in bewerking en de halfaffe stukken zaten in die koffer. Er was ook een héél-af dingetje bij. Daar moesten nog tekeningen bij gemaakt worden. Wat zou worden gedaan door een tekenares: Marlou Stockman. Die een eigen atelier had op de Oude Zijds Voorburgwal. Dat zat als volgt:
Zo nu en dan schrijf ik dingen - niet in de verwachting, er rijk of beroemd door te worden, maar gewoonweg omdat ik er lol in heb. Of doordat ik het simpelweg niet kan làten. Zo was ik ook op het denkbeeld gekomen om een serie boekjes te maken voor heel jonge kinderen, en dan in dichtvorm.
Om die peutertjes te waarschuwen voor alle dingen die gevaarlijk zijn in een huis. Met titels als: “Dikkie en de Dingen die Branden”, “Dikkie en de Dingen die Snijden”, “Dikkie en de Dingen die Breken...” U snapt het natuurlijk al. Daar was op de Kaag ook enorm de spot mee gedreven, en vele lieden wilden vernemen, wanneer ik zou gaan beginnen voor Dikkies die al wat ouder waren, en dan met titels als: “Dikkie en de Dingen van Wijven...” en dat soort grollen meer. Maar voor die kleine Dikkies vond mijn uitgever het een prachtidee. Ik had het eerste boekje al klaar. In dichtvorm. Het begon:
Dit is Dikkie, klein en rond,
met een hele grote mond.
In die mond gaan grote happen
Voor zijn broek krijgt hij soms klappen.
Dikkie heeft veel liever koek
dan die klappen voor zijn broek.
Toch is ‘t Dikkie's eigen schuld,
als hij klappen krijgt... en brult.
Nu was het al maandenlang een duivels probleem gebleken, om iemand te vinden die daar het juiste soort tekeningen bij kon maken. Wij dachten aan Fiep Westendorp, maar om een of andere reden ging dat niet door. En dat probleem hing nog, toen ik op een avond een fles zat te ledigen bij mijn kornuit Adriaan van der Weyden: een klokgave kunstschilder. Een van het echte, goeie ras. Een ronde, eerlijke boerenjongen die het liefst beesten schilderde en woonde boven een fietsenstalling in de Warmoesstraat.
En die zei, heel kalm:
“Willem - dat moet je Marlou Stockman laten doen.”
Kijk - als iemand als Adriaan zoiets zegt, doe ik toch één oor open. Want Adriaan, als ronde boerenzoon, had nog de onverpeste, scherpe blik.
“Wat is die Marlou voor een wezen?”
“Die heeft een eigen atelier op de Ouwezijds. Vlak achter Krasnapolsky. Hier twee keer om de
hoek.”
“Hm. Een atelier. Wat doet ze voor de kost?”
“Reclame-tekenen. Schrik nou niet, ze is werkelijk goed.”
“Zozo. Als jij dat zegt... Hoe oud is ze?”
“Twee- of drieëntwintig, denk ik. En ze is bloedmooi, ook nog.”
Ursula, de vrouw van Adriaan, knikte instemmend, maar ik begon zachtjes te kreunen.
“O nee... jonge en mooie meiden kunnen niks.”
(Lezer - ik zweer u: zo oerstom was ik nog in die tijd. Ik kom daar rond voor uit. Dat hebben de
mooie meiden me later grondig afgeleerd.) Maar het verhaal gaat onherroepelijk voort:
“Willem - wees nou niet eigenwijs tegen me. Ik zal je haar telefoonnummer in Den Haag geven.
Dan...”
Ik schoot een volle fleshoogte van mijn stoel overeind:
“Woont ze in Den Háág ook nog?”
“Ja ja. Haar atelier heeft ze hier, maar de helft van de tijd zit ze bij haar ouders in Den Haag.”
Ik zeeg moedeloos ineen.
“Ook dát nog! Wat smeer je me aan, man? Het prototype van de kunstnijverheidspoes met kunstnijverheidsideeën en kunstnijverheidskleren en een kunstnijverheidsk...”
Maar Adriaan en Ursula lieten zich niet van slag brengen en hielden vol. Met het uiteindelijk resultaat dat ik mij enkele weken daarvóór in Den Haag had bevonden en daar het nummer draaide dat mij door Adriaan was verstrekt. Alwaar ik een mejuffrouw Marlou aan de lijn kreeg. Aan wie ik omstandig verklaarde, wie ik dan wel was en wat de kunstzinnige bedoelingen waren. Waarna wij geraakten tot een afspraak in het toen nog bestaande restaurant Riche , op het Buitenhof. Een ietwat mottig, maar onverdacht Haags herencafé waar niemand iets van zeggen kon. Om acht uur diezelfde avond.
Nou - ik zat er te kwart vóór acht, en keurig aan de koffie, hoor. Wat een ascetische zelfkastijding
betekende, want op dat uur was de koffie daar nog slechter dan tegenwoordig in Chinese eethuizen.
Zo her en der verspreid zaten er een stuk of zeven kerels: allemaal door de tropenzon gelooide oud-Indischgasten. Als er zo af en toe een bij een treffende herinnering uit het Tempo Doeloe wat
wild met de ogen rolde, zag je dat zijn oogwit geel was van de leverkwalen. De bediening daar geschiedde door uiterst oude obers in rok, die statig kaarsrecht liepen van de drank.
Ik zat daar op mijn eentje aan een tafeltje te mijmeren in mijn hoogst-eigen Tempo-Doeloesfeer. Om één voor acht kwam de draaideur in beweging en binnen trad een nogal hoog op de benen staand en hemeltergend mooi meisje in een korenbloemblauwe jas. Met korenbloemblauwe ogen. Dit is geen poëtisch gezever: ik heb een erg zuiver oog voor kleuren en die ogen rijmden precies met die jas, en het was allebei puur van dat diep korenbloemblauw. Ze had vermoedelijk een afspraak in Wieteke van Dort-stijl met de een of andere rijke suikeroom. Je zag daar wel vaker van die solvente oud-Indischgasten sherry nippen met mooie nichtjes. Dit bovenaards wezen ging een eindje verderop zitten in een eigen eilandje van stilte, en bestelde koffie.
Na een tijdje was het tien over acht.
Toen werd het ook kwart over acht.
Ik begon nu kribbig te worden. Meid of niet - tekenares of niet - je moet ongeveer op tijd op je afspraken zijn. Om twintig over acht wenkte de kobaltblauwe de meest oudgediende der obers en confereerde met hem op discrete toon. De man hief zijn bestofte veteranenwenkbrauwen en wees zijdelings op mij. Zij en ik stonden precies tegelijk op, en bogen tegen elkaar. Kleine wederzijdse taxatiefout. Zij meldde mij naderhand, dat ik er, in overhemd met das en achter de koffie, zo netjes had uitgezien, dat zij mij meteen als mogelijke schrijver had afgeschreven.
“En ik zag dat u geen tekenmap bij u had, dus...”
“Nee”, zei ze. “Die heb ik al een uur geleden hier in de garderobe afgegeven. Ik moest nog even een boodschap doen.”
Zij haalde nu die map op. Nou - daar hoefde je niet lang in te studeren. Tekenen kon ze! Zo nu en
dan verricht Allah een wonder, en die verdomde Adriaan had dus toch gelijk gehad. Vervolgens begon ik aarzelend:
“Kijk eens... nu zou het eigenlijk als volgt moeten: ik wil liever de illustraties niet zo botweg recht-voor-zijn-raap hebben. Niet met aan de ene kant wat versjes en dan op de andere bladzijde een plaatje. Wat meer beweeglijkheid in de bladverdeling. Als het zou kunnen, bijvoorbeeld, een tekening op de linkeronderdriehoek van een pagina, met tekst in de andere driehoek. Of een hoge,
smalle tekening op de linkerhelft van de bladzijde met een smalle kolom tekst ernaast. Dus de tekst aanpassen aan de tekeningen, of omgekeerd. Dat zou je in onderling, samenwerkend overleg moeten doen...”
Zij knikte heel verstandig, keek wat omhoog naar een kristallen kroonluchter, en ik zag de lampjes ervan miniscuul weerspiegelen in die pauwestaart-ogen. Ik kreeg er een akelig gevoel van in mijn maag. Ik ging dus wat correcter overeind zitten. Daarna knikte ze nog eens op die verstandige manier, en zei: “Ik heb eens nagevraagd, wie je was. En toen hebben ze me voor je gewaarschuwd.”
“Vanzelfsprekend”, zei ik unverfroren. “Maar kijk eens - de uitgever betaalt jou het tekenwerk rechtstreeks en niet via mij. Dus..”
Die blauwe ogen zwenkten in een boog mijn kant uit: “O, het ging niet over geld, hoor. Maar eh... jij schijnt nogal veel in bars en café's te zitten, en zo.”
“Mijn hemel!” riep ik met gedempte verontwaardiging. “Dat brengt het vak nu eenmaal mee. En Simon Carmiggelt dan? Die is hier op het Slijkeinde geboren en hij zit méér in kroegen dan ik. Maar hij is een brave, sociaal bewogen burgerman.”
“Ja maar... jij zit er nogal veel met vrouwen, naar het schijnt.”
“Alleen met bijzondere!” antwoordde ik licht vertoornd. “Bovendien heb ik nog nooit een vrouw aangeraakt, die daar niet uitdrukkelijk van gediend was. Maar... als je me niet vertrouwt, zou ik er
zeker niet aan beginnen, als ik jou was.”
“Nou...” zei ze, wat pruttelend. Ik merkte toen al dat ze een aparte, wat pruttelende en tegenstribbelige manier van praten had. “Zal me weer een mooie boel worden. Samenwerken met zo'n artistieke zuiplap. Ik als net Haags meisje.”
“Tedere zus”, sprak ik, kalm en zorgvuldig articulerend. “Ik zal ervan uitgaan dat je een keurige burgerjuffrouw bent, die stomtoevallig goed kan tekenen. Een groot tekentalent, gekoppeld aan een kunstnijverheidsziel. De Natuur haalt nu en dan dit soort van speelse grollen uit. Laten we het op die basis houden.”
Daar had ze even niet van terug. Het is altijd weer een probleem voor ze, of dat “nette burgerjuffrouw” zijn nu een compliment voor ze is, of een of andere denigratie.
“En wanneer hoor ik dan van u, wanneer u klaar bent met kroeglopen?”
“Als het zover is”, zei ik. “Moet ik dan bellen naar Den Haag of naar Amsterdam?”
“Mijn atelier is in Amsterdam. Ik zal je het nummer geven.”
“Dat heb ik al weken geleden van Adriaan van der Weyden gekregen, melieve. En nu moet ik echt weg.”
“...Ja ja ja”, zei ze mopperig. “Er zal wel weer de een of andere interessante dame wachten.”
“Zo interessant is ze nou ook weer niet”, zei ik. “Maar ze hoopt het via mij alsnog te worden. Ober!”
Maar toen wist ik nog niet, dat ik veertien dagen later een Nieuw Leven zou moeten gaan beginnen. Werkend in de haven.
En met de complete tekst van Dikkie en de Dingen die Branden in de koffer ging ik nu vastberaden op weg naar Marlous atelier op de Oude Zijds Voorburgwal.
Dát was me een atelier, zeg! In drie oude bakbeesten van herenhuizen zaten een stuk of zes confectie-ateliers vol met meiden, die de hele dag regenjassen en rokken in elkaar stikten. Daarboven lagen natuurlijk zolders. En die verdoemde Marlou (of een voorgaande huurder) had deuren in de tussenmuren laten zetten en die ganse, doorlopende ruimte voor zichzelf alleen! - Ik heb daar later (toen Marlou een tijdje in Spanje zat) samen met Gerard Poolman op gewoond, in een winter dat het twintig graden vroor, en we zo arm waren dat we elke ochtend precies een half bruin broodje met een gestoomde makreel konden betalen. Of hij, of ik, kwamen altijd net precies met die paar gulden uit de kroeg thuis.
“Wel wel!” zei Marlou kordaat, toen ik hijgend met mijn koffer al die uitgesleten houten trappen was opgezeuld. “Meneer is zowaar op komen dagen. Wat moet dat met die koffer? Ben je soms van plan om hier te komen inwonen?”
Ik zette beheerst de bagage neer.
“Je moet je niet te veel verbeelden, zus. Ik kom hier uitsluitend om die tekeningen uit je verwaande vingers te krijgen. Daarna ga ik in de haven werken.”
“Moet je koffie? Er is hier geen jenever.”
Ik ging heel traag op een oud, houten biervat zitten, knoopte mijn Montycoat los en zei, langzaam
en vermoeid: “Dat kerels als ik wel eens wat te veel drinken, en ook wel eens te veel geld uitgeven, dat beseffen wij zelf wel. Wij hebben geen gefrustreerde Leger des Heils-sters nodig om ons daarop te wijzen. Ik heb precies twee dagen uitgetrokken om die tekeningen klaar te krijgen, en als ik ze goedkeur kun je ze inpakken en samen met de rekening aan de uitgever sturen. Intussen verzoek ik van verdere preken verschoond te blijven.”
“Boud gesproken. Stoer gesproken!” zei ze, kordaat in de weer met koffie. “We zullen eens zien, wat ervan terecht komt.”
“Mens!” zei ik heftig. “ Zeur niet!”
Die koffie was uitstekend. Een tweede pluspunt voor haar was, dat ze in haar werk totáál niet zeurde, heel snel van begrip was en niet dom-eigenwijs. En ze had die van God gekregen zekerheid van streek: als ze een lijn neerzette, zat die meteen goed. Ze kon het verdomme zelfs met een penseel met Oostindische inkt. Na een uur of wat waren we het eens over het aantal bladzijden en over het omslag. Toen stond ik op:
“Maak jij vast de eerste schetsen, dan ga ik even een broodje kopen, want ik rammel van de honger.”
Meteen verviel ze weer in haar mopperig, pruttelend patroon: “Honger? Jij?” Ze keek me aan met
die diepblauwe ogen, waarin binnenin een lichtje brandde. “Ik dacht dat jij alleen maar zoop.”
Ik haalde slechts wat schouders op en liep naar de deur.
“Zeker meteen even bij een kroeg langs?”
Ik deed de atelierdeur beheerst achter mij dicht, liep de hoek om en ging in de Damstraat een half
bruin brood kopen, een pakje shag met vloeitjes en een pakje gerookte bokkingfilet. Daarmee kwam ik een kwartier later bij haar binnen. Ze zat braaf achter haar tekenbord. Het was nu nieuwe koffie, die pruttelde. Ik zocht een boek uit haar kast, en ging liggen lezen.
“Hou je soms van klassieke muziek?”
“Ik hou van elke muziek, als die maar muzikaal is.”
Zij legde een stapeltje LP's op de draaitafel.
“Als je iets niet snapt, Marlou, vraag het dan meteen.”
Mijn hemel - het leek wel of we een half jaar getrouwd waren. Een hoogst griezelig gevoel. En die koffie maar pruttelen.
Na een tijdje stond ik op, sneed wat bruinbrood en legde er de bokkingfilet op. Zij zat dat van achter haar tekenbord te bekijken.
“Wat moet dát nu weer voorstellen?”
“Mensen eten soms, nooit van gehoord?”
Een tijdje stilte achter het tekenbord.
“En vind je dat lekker? Bruin brood met vis?”
“Ik heb wel vervelender dingen dingen moeten eten.”
Bach liep af en Mozart ging op.
“En wat is dat nou allemaal voor onzin over die haven?”
“Gaat dat jou één Haagse moer aan? Laten we het strak en zakelijk houden, zoals afgesproken.”
Aan het eind van Mozart kwam ze van achter haar tekenbord vandaan en smeet wat vellen voor me neer.
“Hier zijn de eerste schetsen. Kan het Uw Hoogedele's goedkeuring wegdragen? Ik wil vanavond
spaghetti eten met varkenslapjes. Eet je mee soms?”
“Met genoegen.”
Koken kon ze verdomme óók nog. Zo tegen acht uur in de avond zat ze weer achter de tekentafel en ik tot over de oren in Pushkin (in Engelse vertaling). Toen kwam de vraag:
“En waar slaap je nu vannacht?”
“Maak jij je daar nou geen zorgen over, zeg. Ik kan op veel plaatsen in Amsterdam terecht.”
“Ja ja ja. Dat zal best. Dáár twijfel ik niet aan. Haha...”
En na een tijdje: “En wanneer mag ik de schrijver dan terugverwachten?”
Ik keek geërgerd op uit een boeiend sombere passage:
“Morgen om een uur of tien. Als madam dan al haar nest uit is.”
“Ja ja ja. Dat zal wel.”
Het was toen kwart over negen. Ze had juist weer koffie gezet.
“Ik heb er eens goed over zitten nadenken. Je bent minder beestmens dan ze me hebben verteld. En ik ben er helemaal niet zo zeker van, dat je morgen wel weer op komt dagen. Ik houd je liever hier tot het werk af is. Je kunt in het atelier hiernaast slapen. Daar staat een los bed. Maar ik houd de tussendeur op slot, hoor.”
“Dat lijkt me een uitstekend idee”, zei ik. “dan heb ik tenminste vannacht geen sermoenen en geen gepreek aan mijn kop.”
Het duurde geen twee, maar drie dagen. Maar toen was het resultaat dan ook perfect. Ik hield het met mijn beetje geld aan shag, bruin brood en bokking of makreel precies die drie dagen uit. De koffie en de warme hap kreeg ik teder van Marlou, en daar was ze niet krenterig mee. De derde dag om drie uur ‘s middags waren we klaar. Ik schreef een korte notitie voor de uitgever, onder aan haar rekening, dat de zaak voor mij puntgaaf was. Zij pakte haar werk in. Stond met die envelop in de hand klaar om naar het postkantoor te gaan. Keerde zich bij de deur om: “Je bent me toch een heel stuk meegevallen. En ik heb aardig aan je verdiend, ook nog. Nu nodig ik je uit om vanavond met mij in de stad te gaan eten. Vóór je naar die belachelijke haven van jou toegaat.”
Ik moest toch nog even goed nadenken. Of dat niet al te verlokkelijk en te feesterig was. Maar men moet nooit dom stug zijn in welke Leer ook. Het was de een of andere Duitser, die al lang geleden verklaarde: “Alle Konsekwenz führt zum Teufel.”
“Toch fideel van je”, zei ik. “Soms vertoon je heel menselijke trekken.”
“Zorg dan wel dat je om acht uur hier bent, want ik moet zelf nog even een paar adressen langs. Als je soms even de deur uit moet - de sleutel ligt op de balk buiten.”
“Komt voor mekaar, Florence Nightingale.”
Maar ach... men moet de dag niet prijzen eer de beer geschoten is. Door die drie dagen van sober Nieuw Leven was ik misschien wel een tikkeltje overmoedig geworden. Een begrijpelijke menselijke fout. Wellicht had het ook iets te maken met de aan de oude Grieken reeds bekende gluiperigheid van het Noodlot. Hoe dat zij... ik dacht: ik ga nu toch wel even een luchtje happen, want tussen nu en vanavond acht uur is nog een lange ruk. Ik was ook al een dag tevoren overgegaan van Poesjkin op James Hadley Chase.
Dus ik trok de deur achter me in het Yale-slot, controleerde nog even of de sleutel op zijn vaste plaats boven op de balk lag en daalde tussen al die snorrende naaimachines en kakelende meiden door die uitgesleten trappen af, de Ouwezijds langs. Het Oudekerksplein op... langzaam naar links.
Warmoesstraat. Even bij Adriaan langs gaan om hem de goede uitslag te melden? ... Och nee. Die kon ik beter vredig aan zijn eigen werk laten.
En bovendien kwam er daar dan toch maar weer een fles op tafel, want hij was reuze gastvrij.
Langs de Dam. Nieuwe Zijds Voorburgwal? Nee - niet bij Scheltema langs, want daar zaten natuurlijk de vaste bekenden. Beter door de Spuistraat. Hoppe kwam ik ongeschonden voorbij. Nu de Leidsestraat in. Op de een of andere manier ging ik wat sneller lopen, meen ik. En voor ik het wist, deed ik heel langzaam en beheerst het oude fluwelen gordijn bij de ingang van EyIders opzij, en trad binnen. En daar zat Gerard de Brabander. En daar zat Jan van Herwijnen met rondvliegende haren. En daar hing Eddie Schellenberg. En daar sloop Dronken Tine rond, op zoek naar waardige tegenstanders. Een daar had je zowaar Coby ex-Bantzinger.
“Zozozo”, zei Dronken Tine met haar intelligente vissenogen. “Daar hebben we Willem Waterman.
Die ik in de oorlog zijn leven heb gered.”
“Godzalmebewaren, Tine!” riep George Eylders ontsteld. “Jij zijn leven gered? Als we dat eerder
hadden geweten, hadden we je hier nooit toegelaten.”
Dat brak het eerste ijs een beetje.
“Bier!” brulde De Brabander. “Geef Willem bier!”
“Nee nee, luister nou”, begon ik tegenspartelend. “Ik heb nog maar zestig cent, en...”
Maar dat was natuurlijk een hopeloos argument. Als je financieel aan de grond zat, kon je je bij Eylders aan alcohol lam bietsen. Je moest het alleen niet in je kop halen, om een broodje ham te vragen, want dan wilde niemand meer tegen je praten. Regels zijn nu eenmaal regels. Om zeven uur waren we het met zijn elven allemaal luidkeels oneens. Om half acht werd ik er bijna uitgegooid. Om kwart voor acht hielp ik mee om iemand anders eruit te gooien. lk besefte ineens, hoe laat het was.
“Jongens!” zei ik geschrokken. “Ik moet er vandoor. lk heb een afspraak om acht uur.”
Zoiets werkte bij Eylders ook weer als een rooie lap op een stel aangeschoten stieren. Alles kon je krijgen en uitstukken, maar niet als een brave burgerlul op tijd naar je afspraak. Om negen uur vond ik het toch wel wat te gek worden. Ik plaatste de handen plat op de rand van de Ronde Tafel en rees overeind: “Figuren en mede-barricade-bestormers... Willem Waterman gaat nu naar zijn afspraak.”
Ze werden gewoon handtastelijk. Hielden me vast bij de mouwen. Trokken me omlaag aan de schouders. En je kunt in een café als Eylders toch niet elke dàg gaan vechten? Zeg nou zelf. Toen
zag ik in een heldere flits de oplossing. Tot dusver had ik bier aangeboden gekregen en glaasjes jonge jajem, maar bij de volgende ronde bestelde ik met luide stem een dure dubbele Schotse whisky met ginger ale en ijs, en verwachtte dat men nu graag van mij af wou willen wezen. Maar ik had geen rekening gehouden met Jan van Herwijnen's bourgondische aard. Die keek de kring rond met zijn wilde kop en brulde:
“Willen die klootjurken jou geen whisky geven? Zuip maar van mij! George. Frits !”
Maar om tien uur kon ik er eindelijk tussenuit glippen. Dat wil zeggen: ik strandde nog even nèt binnen de buitendeur, waar men mij naar het tafeltje van Jacques Gans sleurde, in de hoop dat wij
elkaar publiek in de haren zouden vliegen, maar ook dáár kwam ik doorheen gerold. Het was al enkele malen eerder geprobeerd, maar het is nooit gelukt. Gans had geen zin in publieke ruzie met mij en omgekeerd.
In een bijzonder beste bui arriveerde ik bovenaan de trap en botste met de voet tegen een obstakel.
Het was daar verrekte donker. Een opvlammende lucifer onthulde mijn oude varkensleren koffer, die demonstratief in het portaaltje stond. En de sleutel op de balk was weg.
Ik begon meewarig het hoofd te schudden en mompelde wat van: “Tut, tut, tut... dat heb je nou met die nette meiden van 23. Die moeten nog een hoop leren.”
Bukte me, pakte de koffer op en daalde eenzaam de trap weer af. Nog steeds met diezelfde zestig cent op zak (want bij Eylders had ik nog niet eens opgebeld) en geconfronteerd met het plotselinge probleem, waar nu voor de nacht onder dak te komen. Al wandelende denkt men. lk dacht in één ruk door tot aan de Nieuwmarkt. Daar stond altijd een telefooncel, en in die dagen werkten die dingen.
Ik herinnerde mij helder dat ik een tijd tevoren vanaf De Kaag was meegenomen door een stel feestgangers in een sliert auto's, onder aanvoering van Tonio Hildebrand, waarna wij uiterst dronken waren geworden in een geweldig duur pand op de Koningslaan, met achteruitzicht over het Vondelpark. Er was mij inmiddels ter ore gekomen, dat dit pand kort daarna was omgezet in een eveneens duur particulier hotel... maar hoe heette dat ook alweer? Juist! Het TORO-hotel En die rode eigenares heette...? Kathinka! In de cel. Koffer neergezet. Gids opgeslagen. Ziedaar...
TORO-hotel. Een dubbeltje in de gleuf.
“Met het TORO-hotel...”
“Ja, eh... U spreekt met Willem Waterman. Alias Van der Heide...”
Een geestdriftige kreet:
“Willem! We hebben het gisteren nog over je gehad. Waar ben je ergens?”
“Eh... ben jij dat, Kathinka?”
“Ja, natuurlijk. lk heb je zelf ‘s morgens nog gewekt in de oranjerie, toen je lag te slapen tussen de palmen. Waar ben je?”
“Nou, luister Kathinka... het is een tikkeltje moeilijk. Ik moet morgen naar de haven, en ik heb net ruzie gekregen met een vriendin, en ik heb geen geld, en...”
“Kom hierheen. Kom onmiddellijk hierheen.”
“Ja maar, Kathinka. Ik heb geen geld, en...”
“Wil je ophouden met zeuren en meteen hier komen?”
“Eh... ja, Kathinka.”
“Waar ben je nu?”
“Ik sta met een koffer in een cel op de Nieuwmarkt, en...”
“Wat doe jij in godsnaam op de Nieuwmarkt?”
“Telefoneren, natuurlijk, want...”
“Blijf daar bij die cel staan en ik stuur een taxi.”
“Ja maar, Kathinka...”
“Blijf daar stáán en loop niet ergens anders heen en wacht op die taxi!”
“Ja, Kathinka.”
Mijn taxi zoefde eerbiedig naar de trottoirband. Hoog oprijzend tegen de aprilse sterrenhemel en licht omwuifd door boomkruinen wachtte daar een statig, alleenstaand pand. Met een zee van licht stralend uit vrijwel alle vensters. Ik herinnerde mij nu het smeedijzeren hek en een inrit tussen zware bakstenen pilaren, waarop thans aan weerszijden vergulde stierenkoppen prijkten, met de naam:
TORO-hotel.
“Ach - kunt u even wachten?”
Ik naar buiten, in sleetse zeiljopper en schipperspet. De chauffeur zal wel gedacht hebben, dat ik van een zeewaardige klipper kwam afgestapt. Vanaf de Zeedijk, nietwaar? Met een koffer vol oude reisetiketten. En dan naar zo'n hotel... Dus de chauffeur tilde de koffer achteruit en kwam eerbiedig enkele passen achter me aan. Zeelui zijn altijd goed voor een fikse tip. Ik belde aan, onder een overkapping van zware natuursteen. De deur zwaaide vrijwel terstond open en daar stond een klein, donkerogig dienstmeisje, met een doortrapt kittig smoeltje, in een zwart jurkje en met een wit mutsje op. Mijn hemel - ook dát nog!
“Mijn naam is Willem W...”
“Gaat u maar naar binnen, mijnheer. Mevrouw verwacht u in de salon. Ik zal de taxi wel voor u regelen.”
Dat doen ze tegenwoordig in dat rot-Okura of dat prollige Hilton niet eens meer zo. Ik zette juist de koffer neer in de hal, toen uit een deur rechts Kathinka te voorschijn kwam. Een hoofd met bovenop zes pond hoog opgestoken rood haar. Zwarte, dure geplisseerde hoerejurk. Parelsnoer sliertend tot op de navelstreek. Beide handen uitgestoken.
“Willem!” Een van mijn handen wordt innig gegrepen en ik word meegevoerd over parket onder kristallen kronen. Overal rondom vergulde stoelpootjes en damast. Ik klossend met mijn werkmansschoenen over dat parket.
“Ga hier naast me zitten, Willem, en vertel me àlles!”
De voordeur slaat dicht. Kathinka slingert het parelsnoer speels in het rond. Roept dan: “O, Rietje!”
“Ja, mevrouw?”
Het kittige dienstmeisje (18 of 19) met de donkere oogjes komt op hoge hakjes aanklikken over het parket.
“Wat wil je drinken, Willem?”
Ik had vanuit EyIders echt wel een fikse lading binnen, al was dat niet zometeen aan me te merken, en ik moest de volgende dag nu écht wel serieus die haven in...
“Koffie, Kathinka. Kan dat?”
“Een pot koffie voor mijnheer Waterman, Rietje”. Zij buigt zich minzaam naar mij opzij: “Met toch wel wat erin, zeker? Cognac? Whisky? Grand Marnier? Armagnac?”
(Ach - wat maakt één avond ook uit op een heel mensenleven. Per slot van rekening had ik me dagenlang Strak in de Leer betoond. Bewezen dat ik het kon. Liet ik dit maar als een afscheidsavond beschouwen...)
“Met Armagnac, als dat kan.”
“Je hebt het gehoord, Rietje?”
“Jazeker, mevrouw.”
En daar zit ik dan. Met de ouwe schipperspet achter op de reeds kalende bol. De snor wat omhoog strijkend, want in geen tijden bijgeknipt. Ik begin maar de jopper uit te trekken en drapeer die achteloos over wat petit point.
“O, Rietje!...”
“Ja, mevrouw?”
“Och - kun je even de jas van meneer Waterman opnemen? Hang die zolang maar in de bibliotheek.”
Ik kom overeind: “Maar dat kan ik toch zelf wel, Kathinka... Of vindt juffrouw Rietje het niet erg
om het even voor mij te doen?”
Ik vang in een fractie van een vlietende seconde een blik op uit de donkere oogjes. Juffrouw Rietje hangt mijn ouwe jopper op ergens in de bibliotheek. Ik krijg het onbestemde gevoel dat ik steeds verder uit de buurt van die haven ga geraken. Ik houd mezelf dus streng voor, dat het oppassen is geblazen. De wereld is vol van sirenen en andere verlokkingen die een zeeman uit de rechte koers
willen halen. Het was voor Willem Odysseus Waterman niet alleen zaak om tussen de Scylla en Charibdis der kroegen door te navigeren... de oren dicht te houden tegen lokkend sirenengezang -
nu wendde zich ook Circe Kathinka tot mij: “En vertel mij nu eerst eens even... wat is dat met die
haven?”
“Nou - dat is heel eenvoudig, Kathinka. Ik heb daar op De Kaag veel te veel de feestneus uitgehangen en de Belastingdienst heeft op alles beslag gelegd. Nu ga ik eerst eens een tijdje in de haven werken...”
“Wat geweldig flink van je...”
(Had ik dat niet kort tevoren nog ergens anders gehoord?)
“Maar vertel jij nou eerst eens, Kathinka...”
Dat was eigenlijk ook heel eenvoudig. Onze Kathinka was gaan scheiden en had, inplaats van alimentatie, dat hele huis gekregen met een deel van de inboedel. Maar géén contant geld. Toch moet de mens een bescheiden inkomen hebben. Dus men neemt een hypotheek op zo'n huis en laat alle kamers boven de parterre verbouwen tot pico bello hotelkamers.
“Wil je het eens zien? Het is nog geen seizoen en de meeste kamers staan toch leeg.”
Dat was me wat, zeg. Die TORO-kamers hadden geen fantasieloze nummers en evenmin zogenaamd vlotte popartnamen, maar hadden eigen kleuren. En ze waren verdoeme nog strak volgehouden in die kleuren ingericht, ook. Zwarte Suite (zwart tapijt met babyblauwe gordijnen en sprei. Badkamer zwart met babyblauwe tegels). De Rose Suite (Bad met bordeaux-rode tegels en handdoeken als contrast). Dan het wat kleinere werk: de Nijlgroene Kamer met dubbele douche. De Blauwe Kamer met eigen balkonterras aan het Vondelpark. De Turquoise Kamer met twee erkers. De Gele Kamer...
Ga maar door, zegt Willem Duys dan. En de totale benedenverdieping (waaronder nog een gigantisch souterrain) was lounge en zitruimte, met wat aparte tafeltjes achterin voor ontbijt. Warme maaltijden werden niet geleverd. Dit hotel was een fuik voor dure buitenlanders en die kregen alleen een ontbijt.
Dan oprotten en de stad in tot diep in de nacht. Geen gezeur overdag. Toen we weer achter de Armagnac zaten, ging de voordeurbel. Kathinka keek op haar bejuweeld horloge:
“Ah... na middernacht. Dan is Rietje uit dienst, en doe ik zelf open.”
Binnen kwam een Engels echtpaar. Nou - Engelser kon het al niet. Mister Kenway-Jones en echtgenote. Tussen de 45 en 55. Hij met een opavest waar hij gezellig alle as op liet vallen en ma in een jurk die mijn oudtante wat tuttig zou hebben gevonden. Samen vermoedelijk goed voor een half miljoen pond.
“This is my old friend William Waterman. He writes books.”
“Ah, yes. You write books. How nice.”
“Do you want anything to drink?”
“Well, I suppose a spot of whisky wouldn't hurt me.”
“Now, daddy - isn't it about time you went to bed?”
Om half twee kwamen er twee Amerikanen bij. Vervolgens een Fransman. Om drie uur was het echt gezellig gaan worden. Toen boog de roodharige Circe zich even naar mij opzij, en sprak snel in het Hollands: “Ach, Willem - ik moet morgen om zes uur alweer opstaan om af te rekenen, als de eerste gasten vertrekken. Wil jij nog een uurtje of wat waarnemen? Je zit toch zo gezellig met ze te kletsen... je hoeft alleen maar op te schrijven wat ze hebben gedronken. De sleutel van de drankkast ligt in de bibliotheek, voor als je tekort komt. Rietje heeft je koffer al op de Turquoise Kamer gezet... Kan dat?”
“Natuurlijk, lieve Kathinka. Graag gedaan.”
Dus daar zat ik mijn talen en de streepjes bij te houden. Haalde vers ijs uit de koelkast. Zaten elkaar goedmoedig in de haren over De Gaulle - over de specifieke waanzin van alle Engelsen en de onmisbare decadentie van Europa. Om iets na vieren vonden ze het allemaal welletjes. Ik wankelde als laatste opwaarts naar de Turquoise Kamer. Mijn koffer was leeggeruimd en het bed lag teder halfopen geslagen. Er lagen ook zeep en een handdoek. Aandoenlijke en ook wat vuige gedachten aan juffrouw Rietje waarden door mijn brein. Ik deed de kleerkast open. Kinderen... wat een merkwaardig tafereel! Daar hingen naast elkaar: een overall, wat truien aan metalen knaapjes, het blauwe pak, met daaronder, naast elkaar, het paar werkschoenen en het paar nette schoenen. In een lade lagen de schapewollen sokken naast de zwartzijden sokken. Die kleine, kittige Rietje toch... Ik had er veel voor over gehad om precies te weten wat er, terwijl ze die koffer uitpakte, en alles zo keurig opborg, was omgegaan achter die guitige, donkere oogjes.
Ik werd wakker om kwart over tien. Begaf mij onder de Turquoise Douche. Verdomme - en nou naar die haven! Ik liet dus het blauwe pak met de nette schoenen in de kast, maar liet ook de overall met rust. Het was nog niet definitief zover. De kleren van de vorige dag (met de marinetrui) vormden een soort civiele middenweg. Zeilpet op: Jopper? 0 ja. Hing nog beneden in de bibliotheek.
Beneden bevond zich ook Kathinka. Achter een zilveren servies met koffie plus een ochtendblad.
Geen gasten in zicht. Waren vermoedelijk allen al de stad in gejaagd. Allicht. Als je een particulier hotel drijft, moet je het ook particulier houwen.
“Ha, Willem - ben je daar? Janneke!”
Ah, dit was iets anders. Een vlasharig Jordaanmeisje van het soort dat bij het afwassen zingt als een karekiet.
“Janneke!?”
“Ja ja...”
“Het ontbijt voor de Turquoise Kamer. Koffie of thee, Willem? Je ei gekookt of gebakken?”
“Kom er gezellig bij zitten, Kathinka.”
Een enorm ontbijt, met uitzicht, over een achterterras heen, dwars door het Vondelpark. Kathinka
zwierde met het parelsnoer.
“Willem - luister eens. Ik wilde je wat vragen.”
“Altijd, Kathinka.”
“Jij bent nogal goed in je talen, hè? Als ik dat gisteren zo hoorde...”
“Nou, dat is meer een kwestie van brutaliteit, hoor.”
Zij boog zich wat vertrouwelijk naar mij over:
“Want weet je wat het is? Ik moet het hier natuurlijk van de buitenlanders hebben, want Hollanders willen deze prijzen niet betalen. Ik heb honderden brieven op geschept papier met bladgouden TORO-vignet gestuurd naar buitenlandse reisbureaus, en nu krijg ik elke dag telefoontjes en brieven binnen. Uit Engeland, Duitsland, tot aan Joegoslavië toe. Ik heb overal een cliché-afdruk van een foto van dit hotel bijgedaan, en dat schijnen ze prachtig te vinden...”
“Maar het is ook prachtig, Kathinka. Zoals wij daar gisteravond tussen die prachtige salonmeubeltjes bij elkaar zaten...”
Zij keek me half-flirterig en half-uitgekookt van opzij aan: “Heb jij enig idee, wat er na middernacht aan drankjes is omgezet?”
Ik koos met zorg een plak gekookte ham uit en bromde wat: “Nou ja - ze kunnen dat beter jou hier laten verdienen dan een stomme nachtclub.”
Zij knikte goedkeurend.
“Die brieven en telefoontjes gaan allemaal over reserveringen. De een wil een suite met bad, vanaf vier mei, met twee kinderen voor 14 dagen. De andere, uit Bordeaux, wil een tweepersoonskamer plus nog een éénpersoons met douche, vanaf 6 april tot en met 13 april. Dat moet eigenlijk allemaal bevestigd worden... en het moet allemaal kunnen en in elkaar passen.”
“Klaar als een klont, lieve Kathinka.”
“En weet je wat het is, Willem - ik ben maar een vrouw alleen. Begrijp je?”
“Ik sta hier helemaal alléén voor. Van vroeg in de ochtend tot diep in de nacht. Ik kan dat niet aan
die meisjes overlaten. Die spreken geen woord over de grens. Ik ben daar ook wel niet zo goed in,
maar ik kan me nog nèt redden. Elk moment kan de telefoon gaan uit Londen of Frankfurt. Ik kan
redelijkerwijs geen minuut de deur uit, en ik zou toch echt dringend eens naar de Bonneterie moeten, of Gerzon, om wat nieuws te kopen. Zou jij nou vanmiddag de telefoons kunnen aannemen, en een oogje houden op de boel?”
Ik keek op mijn horloge. Al zowat elf uur. Eigenlijk ideale tijd om nu eindelijk eens in de haven langs wat vrachtschepen te lopen om te zien of er ergens wat te lossen of te laden viel.
“Of kun je de tijd absoluut niet missen?”
Tja tja tja... zoiets kun je eigenlijk niet máken, hè? Een vrouw alléén, die er helemaal alleen vóór staat. En die me zo hartelijk en gastvrij onderdak verleende, zonder zeuren of zaniken.
“Doe ik graag voor je, Kathinka. Ik pas wel op het fort.”
Het leek wel of die verdomde Kathinka gedachten kon lezen.
“Rietje komt om vier uur in dienst”, zei ze. “Het is maar dat je het weet. En als je dan toch hier bent... zou je dan eens een paar van die buitenlandse brieven kunnen doorlezen en kijken wat ik daarop moet antwoorden? Mijn talen zijn niet zo best, en... Het reserveringenboek enzo ligt naast de telefoon. Wil je nog koffie? Nog een gebakken ei of zo?”
“Jeetje, nee Kathinka - dit was een goden-ontbijt.”
Zij schonk nog wat koffie uit de losse hand. De andere had ze nodig om met dat parelsnoer te zwieren.
“Ga jij nou maar de stad in, lieve Kathinka. Dan ga ik alvast eens in die brieven neuzen.”
En daar vertrok lieve Kathinka. In een ronkende privé-Jaguar. Ik ging de bibliotheek in. Daar hing mijn sleetse zeiljopper. Zwakjes, maar lekker ruikend naar verf en scheepsteer. Ach wat - die ene dag meer of minder... die haven liep beslist niet weg. Zolang ik het uiteindelijke doel maar niet uit het oog verloor.
Om kwart over vier kwam Rietje, op klikkende hakjes en met het witte mutsje op, mij een zilveren blad met thee brengen. Ik zat achter een portable te worstelen met het plusquamperfectum van een conditionnel, of iets dergelijks. Bestemd voor een echtpaar in Tours. Rietje schonk een kopje thee voor mij in. Wij wisselden geen enkel woord. Alleen onze blikken waaierden even langs elkaar heen. Dat we plusquamperfect samen in een bed terecht zouden gaan
komen als we niet goed uitkeken, dat stond toen al vast. Alleen het wáár, wanneer en het hoe intens was nog een conditionnel.
Hooggeëerd Publiek,
Ik besef dat dit verhaal bezig is, een bruller te worden. Met de onderstroming van een Griekse noodlotstragedie. Worsteling van Man met Onontkoombaar Fatum. Nu ik er na zoveel jaren op terugkijk, is het allemaal heel duidelijk. De goden op de Olympus moeten zich te barsten hebben zitten lachen. Zo van: “Moet je die sterveling daar beneden bezig zien. Nee - die met die stoere schipperspet op, en die heldensnor. Die denkt nog ècht, dattie in een haven aan het werk raakt...
Vulcanos - breng nog een rondje dubbele nectar!”
Ik had natuurlijk metéén de volgende morgen dat ferme ontbijt naar binnen moeten slaan, mijn koffer weer inpakken en vóór de komst van Rietje te vier uur dat dure hotel moeten ontvluchten. Ik had tegen Kathinka dienen te zeggen: “Lieve meid - we staan allemáál wel eens ergens alleen voor, en breng die zooi maar naar een vertaalbureau, of neem een arme student Letteren in losse dienst.”
Want, zodra ik een van die telefoons had aangenomen en eenmaal aan die brieven was begonnen,
was ik reddeloos de pineut. Daar had zelfs die Rietje nog niet eens mee te maken. Het waren niet eens zo verschrikkelijk véél brieven, en je hebt geen hotelschool nodig plus een IQ van 163 om binnen tien minuten te snappen, hoe een hotelreserveringssysteem dient te werken... als je eruit wil halen wat erin zit. De pest was wel, dat een hoop van die brieven daar al weken hadden gelegen, zonder dat ze waren beantwoord. Er waren zelfs telegrammen bij, waar nooit op was ingegaan. Geen manier om een bedrijf te runnen. Maar zodra mijn getypte antwoorden expresse waren verzonden en er zinnige reactie uit Amsterdam kwam op die achterstallige telegrammen, toen begon de draaimolen pas goed! Want dat vreemde, zich in mysterieus zwijgen hullende TORO-hotel begon ineens wakker te worden! Dus er kwamen direct méér telefoons en nieuwe telegrafische reserveringen van buitenlandse reisbureaus. En tja... toen ik eenmaal begonnen was met orde op zaken stellen, kon ik natuurlijk helemáál niet zomaar ineens tegen Kathinka zeggen: “Ik heb er geen zin meer in - los nou de boel zelf maar verder op.”
Ik had een beer bij de staart gepakt, die ik moeilijk kon loslaten. En dat had helemaal niets met Rietje te maken, want zij gaf geen draad en ik lekker ook niet. We keken elkaar alleen af en toe maar heel even aan. Soms knipte ik wel eens met mijn vingers in de maat als ze met die hoge hakjes wegstapte over het parket. Bij de deur keek ze dan snel over haar schouder even om. U moet nu ook weer niet gaan denken, dat een koppig Gronings jongetje het zómaar opgeeft! Ik zou in die haven terecht komen! Marten Toonder en ik komen uit eenzelfde soort van nest. Vandaar ook die werkelijk spookachtige uiterlijke gelijkenis tussen zijn broer Jan Gerhard en mij. Weten wij veel wat onze voorouders daar in de buurten van Winschoten, Appingedam en Delfzijl op saaie winteravonden hebben afgerotzooid?...
En al dat soort van dingen overpeinzend (Rietje en ik waren nog steeds zeer afstandelijk tegen elkaar) zei ik op een rustige avond kordaat:
“Luister eens, lieve Kathinka - morgen om negen uur ga ik vroeg opstaan en de haven in. De achterstallige post is ingehaald - je zit voor méér dan twee derde volgeboekt en... Je hebt nou toch wel genoeg nieuwe kleren gekocht, zou ik denken. Elke middag de stad in...”
Zij keek me oprecht ontdaan aan:
“O, maar natuurlijk, lieve Willem. Je dacht toch zeker niet, dat ik het erop aanstuurde om beslag op je te leggen, is het wel?”
En verdomd, het lukte me, hoor! Om tien uur de volgende morgen was ik in de haven. In toepasselijkgrove kledij. Er stonden huizenhoge stapels balen en kisten. Hijskranen zwaaiden lustig rond. Hele rissen schilderachtig roestige schepen lagen klaar om geladen of gelost te worden. Zalige vlagen parfums woeien in het rond: olie en teer en stinkende ossehuiden en fijne rotte vis, en zo meer. De moeilijkheid scheen echter te zijn, dat geen mens in die hele haven, vanaf het Oosterdok tot aan de Houthaven, in mijn arbeidsvermogen was geïnteresseerd.
“Maar, verdomme!” kreet ik ten laatste. “In alle kranten lees ik al maanden dat jullie hier duizenden mensen tekort komen!”
Er kwamen wat ferme jongens en stoere knapen bij staan. Die spogen nog op non-progressieve manier met tabakssap en tapten rotgeintjes. Maar ik heb onder Scheveningers op een soldatenchambree gelegen, en dat is nog wel wat rauwer volk! Ik gaf dus lik op stuk, en dat soort van taal kun je heus niet uit een boekie leren... dat komt metéén levend over.
“Kijk es”, zei er eindelijk een voorman. “As het je echt ernst is, valt er best over te praten. Alles valt te matsen. Maar onder één ding komme we niet uit: je mot eerst een rentekaart hebben.”
Wat was nou in godsnaam een rentekaart? Men legde me heel goedmoedig uit, dat je zoiets kreeg van een Arbeidsbureau. Dat ik me eerst dáár moest melden als ongeschoold werkzoekend arbeider, en dat ik dan dáár zou worden ingeschreven, en dan...
Grimmig wandeldelde ik terug naar het TORO-hotel... juist op tijd om Kathinka bezig te zien met
parkeren van haar Jaguar, waaruit zij platte kartonnen dozen begon te tillen, met kleurige linten dichtgestrikt. Het andere portier zwaaide open, en daar steeg moeizaam een logge, breedgeschouderde man uit, die met de handen op de rug breeduit op het trottoir bleef toezien, hoe Kathinka kwiek al die aankopen naar de voordeur overbracht.
“Zal ik je even helpen?” joelde ik van een paar pas afstand.
“Het is al gebeurd, hoor!” - En ze dook naar binnen.
De brede man en ik stonden bij die twee bakstenen pilaren met gouden stierenkoppen elkaar zo'n
beetje op te nemen. Hij paste wel op die plaats, leek mij: hij had zelf wel iets van de constructie van een stier: een brede nek, rond verlopende schouders en een soort van grimmig Winston Churchill gezicht. Geen vrolijke lachebek, zo te zien. Toen hij zijn muil opendeed, kwam er een grommend, rommelend geluid ult:
“Woont u hier?”
“Zo min of meer”, zei ik. “Moet u ook naar binnen?”
“Grrroemmm”, bracht hij voort, wendde zich van me af en banjerde de nog openstaande voordeur
binnen.
De verdere loop van de namiddag zag ik hem met Kathinka in de bibliotheek verkeren, alwaar veel met papieren heen en weer werd geschoven. Ik ging een uitsmijter halen bij Janneke en Rietje in de keuken, liep daarna achteruit het Vondelpark in waar ik op het terras van het Theehuis aan een boek verder werkte. Want wàt er in mijn leven aan desorganisaties mochten plaatsvinden - de boekproduktie moest doorgang vinden. Toen ik tegen de schemering weer het hotel in kwam, was die conferentie in de bibliotheek nog steeds aan de gang. Ik ging dus maar naar mijn Turquoise Kamer, waar ik op bed lag te lezen tot het tijd was voor de Nachtdienst.
Ik ging niet meteen de volgende morgen in gestrekte draf naar het Arbeidsbureau - dat weet ik nog wel. Omstreeks zestienhonderd schreef John Donne al neer: “No man is an Iland, intire of itselfe”.
Een man kan nu wel abrupt ineens een Nieuw Leven wensen te beginnen, maar dat houdt nu ook
weer niet in, dat je alle relatielijnen rigoureus wilt of kunt afsnijden. Een van die lijnen liep naar de kunstpromotor Hans Koetsier, en een andere naar de Geïllustreerde Pers. Daar kwamen weer afspraken uit voort en alles bij elkaar duurde het een dag of drie, eer ik wakker werd met een onbezette dag voor de boeg.
Het was de voorgaande nacht tamelijk rustig geweest en ik voelde mij helder en actief. Ook de lucht stond helder... een aangewezen dag, leek mij, om nu eens definitief naar het Arbeidsbureau te tijgen.
Toen ik tegen elven beneden kwam, zag ik Kathinka, met ochtendblad, aan mijn ontbijttafeltje zitten.
“Hallo, hallo!” kirde ze. “Ik zal je koffie even halen.”
En daar ging ze weer heerlijk ouderwets in de weer, schenkend met de ene hand en parelsnoerzwierend met de andere. Opnieuw begon zo'n gehuwd gevoel me te bekruipen. Alsof ik dáár alweer een halfjaar getrouwd zat. Maar ik keek wilskrachtig op het horloge en schoof de stoelpoten achterwaarts over de dansvloer:
“Lieve Kathinka... ik ga nu eerst naar het Arbeidsbureau.”
Zij trok een gezicht, of ik een hoogst onbetamelijk woord had gebruikt.
“Het Arbeidsb... wat moet jij dáár?”
“Me in laten schrijven. Anders kan ik nooit werk krijgen in de haven.”
“Wat die mensen al niet bedenken...” zei ze, en legde een hand vertrouwelijk op mijn tweed mouw.
“Luister nu eerst even, eer je onbesuisde dingen gaat doen. Die man, die al een paar dagen geregeld bij mij in de bibliotheek zit, hè?”
“Is dat een accountant, of zo?”
“Dat is een meneer Huson. Een oud-Indischman. En die wil dit hotel van me kopen.”
“Och jee - heeft-ie daar verstand van?”
Kathinka keek me aan, of ze wilde zeggen: Wat heeft dàt er nou mee te maken? maar uitte dat niet, en ging door: “Maar dat wil hij dan zo, dat hij het koopt en ik het voor hem drijf.”
“Ah!”zei ik, met mijn bekende snelle begrip. “Jij wordt dan bedrijfsleider in zijn hotel?”
“Zo eh... zo ongeveer, ja. Hij zal zometeen wel weer komen, en het is maar dat je het weet. Ik heb
hem verteld over jouw positie hier, en dat vindt-ie best.”
“Positie!” zei ik, en herhaald een stuk luider: “ Positie? lk ga die haven in, en...”
“Doe nou eens niet zo onbekookt. Huson lijkt een knorrige oude beer, maar hij heeft hele plantages geleid op Sumatra en hij zag natuurlijk metéén, dat jij niet zomaar een normale hotelgast was.”
“Ach - hij herkende mij meteen als inkt-koelie?”
“Leukert. En om nou te vermijden dat hij zou gaan menen, dat wij stiekem wat met elkaar hàdden...”
“O jee - en dat met die nachtdiensten, en zo.”
“Precies. We moeten geen misverstanden krijgen.”
“Jee, nee. Maar luister nou es - even heen en terug naar dat Arbeidsbureau - da's zo gebeurd. Uiterlijk één uur ben ik terug.”
Het was zulk mooi weer, dat ik ging wandelen. Op de Willemsparkweg kwam ik Karen Habraken
tegen, en dat hield me een beetje op. Maar ondanks dat arriveerde ik om half één aan het Arbeidsbureau. Daar trof ik een portier die me heel voorkomend te woord stond. Natuurlijk kon ik een Arbeidskaart krijgen.
De moeilijkheid school hem alleen hierin, dat het Loket Inschrijvingen om twaalf uur sloot. Dus de volgende dag terugkomen vóór twaalf uur.
Toen ik aangeslagen weer op straat stond, begon ik kwaad te worden. Geleidelijk-aan werd ik hoe
langer hoe kwader. Ik eindigde koud, ijzig kwaad. Nou moesten ze dan, voor de gloeiende duivel,
in dat bureaucratische Amsterdam maar zien hoe ze hun haven-economie zónder mij uit de dallas
kregen! Voor mij konden ze verder barsten!
Nou, jullie hebben het resultaat kunnen waarnemen. Die schepen zijn vrijwel allemaal naar Rotterdam gegaan. Net goed.
Maar intussen zat ik met de gebakken peren. Nou ja - eigenlijk met de dienstmeisjes, de whisky en de kaviaar. Uit pure balorigheid hing ik mijn jopper, mijn scheepspet en mijn werkschoenen in de kast bij de overall, en trok het Blauwe Pak aan met de das en de zwarte gepoetste schoenen. Aldus getransformeerd was ik juist onderaan de trap, toen Rietje met het zilveren theeblad de keuken uitkwam. Zij bleef roerloos staan, midden in de hal, en ik even roerloos onderaan de trap. Zo stonden we elkaar te bewonderen.
“Zou je zo met mij naar de bioscoop durven?” vroeg ik.
“Nog wel naar een gemaskerd bal”, zei Rietje, en wandelde klikkend verder naar de bibliotheek. Daar zat Kathinka met de Oude Brombeer, alias mijnheer Huson.
“Dit is mijnheer Huson”, stelde Kathinka voor. “En dit is Willem, de boekenschrijver, waar ik je over vertelde.” Huson en ik gaven elkaar de hand.
“Ga toch zitten, Willem”, nodigde Kathinka. “Wat zie je er ineens officieel uit?”
Ik verklaarde - nog steeds nijdig - wat deze transformatie te betekenen had. Kathinka sloeg beide
handen voor haar mond - de aanstelster.
“O, wat erg!” riep ze. “En hoe kom je nou aan werk?”
“Ik heb al ander werk”, gromde ik, nog steeds diep gebelgd.
“Hans Koetsier wil reclameteksten van me hebben en voor de Geïllustreerde Pers kan ik draaiboeken maken voor stripverhalen van Oom Dagobert en de Boze Wolf.” Ik trok een briefje van honderd uit de borstzak. “Ze hebben me al voorschot gegeven, ook. Maar dat is nou niet wat ik bedóélde...”
Toen zei Huson, het bandje van een sigaar peuterend:
“Neem me niet kwalijk, meneer de boekenschrijver, maar als ik het goed heb vernomen, heeft u moeilijkheden met de Fiscus.”
“Dat is mild uitgedrukt, mijnheer Huson. Ik heb belastingbeslag op de hele reutemeteut. Dus ik moet van lopend werk leven tot ik de zaak uit de knopen heb.”
“Dan zal ik je een voorstel doen”, zei hij. “Ik heb juist gisteren besloten om dit hotel te kopen. Mevrouw hier blijft het overdag runnen, maar er moet natuurlijk ook een nachtmanager zijn. Wat
ik er zo van heb gezien en gehoord, doet u dat lang niet slecht. Wat mij betreft, kunt u dat blijven
doen. U werkt dan tegen kost en onderdak, en dan kan de Belasting u hier ook niet grijpen. Waarom moeilijk die haven in, als alles hier voor u geregeld is?”
“Ik had dat werk in die haven nu eenmaal in mijn hoofd gezet, omdat ik een heel ander soort van Leven...”
“U bent nog wat te jong”, zei Huson. “De mens hééft helemaal geen Vrije Wil. Hij dénkt alleen dat hij het heeft. Dat is de Grote Lacher.”
Daar had ik best een dikke boom over willen opzetten, maar het leek me daar het moment niet voor.
“Nu heb ik óók een vraag, mijnheer Huson.”
“Voor de draad ermee.”
“Als u dit hotel heeft gekocht, waarom gaat u er dan niet zelf in wonen en de dagdienst waarnemen?
Dan kan Kathinka de nachtdienst doen, en...”
“Ik peins er niet over. Ik heb mijn pensioen en geen zin meer in werken of in soesah. En ik blijf op mijn eigen adres wonen. Elke morgen kom ik langs om de administratie bij te houden.”
“Dat is natuurlijk uw zaak”, zei ik.
“lk wil maar één ding veranderd hebben. Die Turquoise Kamer - dat is een verhuurbare hotelkamer.”
“Dat klopt.”
“Het seizoen gaat nu beginnen. Hieronder is een enorm souterrain, met betegelde ruimtes. Met een aparte ingang naar de tuin. Er is nog een aparte douche, ook nog. Daar ga jij slapen.”
“Daar ben ik nog nooit in geweest.”
“Dan zou ik daar maar eens gaan kijken”, zei hij. “Lijkt me nou precies iets voor een boekenschrijver.”
Ik ging de binnentrap af en de eerste, die ik beneden tegenkwam, was Rietje. Die met een badmantel om en een sponsezakje door de betegelde gang liep. We stonden elkaar wéér eens zwijgend te bekijken.
“Ik word hier nachtbedrijfsleider”, zei ik, en barstte in een wild gelach uit. “Ik moet hier beneden
gaan bivakkeren.”
“Dat kan best gezellig worden”, zei Rietje. “Dat wordt natuurlijk die grote ruimte aan de voorkant. Ik heb mijn eigen kamer hierachter.”
Maar niemand is een eiland. Een weekje of zo later pakte ik tegen een uur of zeven in de avond de telefoon aan. Ik was net in dienst.
“Met het TORO-hotel.”
“Ben jij dat zelf, Willem?”
“Ja, dat ben ik. Met wie?”
“Doe nou niet of je mijn stem niet herkent, zeg. Met Jan van Ees.”
“Ha, die Jan. Hoe weet je dat ik hier zit?”
Hij klonk een beetje koeltjes.
“Nou - da's niet zo moeilijk, hè? Mijn schoonvader komt geregeld bij Eylders, en bovendien kwamen er hier vanmiddag een stel Amerikanen bij mij in de Koe, die vertelden dat ze zo'n enorme lol hadden gehad in een stinkduur hotel in Amsterdam. Met een boekenschrijver met een enorme snor.”
“Ach, natuurlijk!” zei ik. “Die kerels van de IBM.”
“Die kerels van de IBM, ja. Maar ik vind het allemaal maar een raar soort van gedrag van jou, hoor.”
“Raar gedrag? Van mij? Wat nou weer?”
“Nou - je verdwijnt hier met de Noorderzon zonder je rekeningen te betalen. Zonder tegen iemand iets te zeggen. En nu hoor ik ineens dat je daar in het duurste hotel van Amsterdam-Zuid Zuid de bink zit uit te hangen.”
“Maar, beste Jan - zo zit het helemaal niet. Ik ben hier de nachtbedrijfsleider, en...”
“Zo zo zo. Nachtbedrijfsleider nog wel. Dan kun je toch op zijn minst elke maand wel eens wat op je rekening afbetalen, niet?”
“Maar mijn beste Jan - ik verdien hier helemaal niks! Ik heb belastingbeslag op alles.”
“Ja, dat verbaast me niks”, zei Jan onlogisch. “Maar het meest lullige vind ik, dat je nou met dergelijke smoesjes aan komt zetten.”
Ik begon nu een beetje nijdig te worden, en brulde: “lk vertel helemaal geen smoesjes. Dat doe ik nóóit. Ik heb helemaal geen smoesjes nodig. Ik besef heus wel, dat het allemaal een beetje onwaarschijnlijk klinkt. Maar ik zou eerst in de haven gaan werken, maar...”
“Onwaarschijnlijk!” riep Jan. “Daar weet ik nog heel andere woorden voor!” En hij smeet de hoorn neer.
De telefoon stond bij hem op de bar, en ik kon er donder op zeggen, dat binnen 24 uur héél Kaageiland op de hoogte was. Zo'n verhaal gaat een eigen leven leiden. En krijg dat nou maar weer eens de wereld uit.
Lukt nooit.