Heb ik wel wat te zeggen.

 

Niemand luistert naar mij.
Ze staan wel geboeid met hun kop te schudden.
ja en nee te zeggen,
te hmmmen en euhen,
maar luisteren, dat doen ze niet.

Ze nemen het voor zoete koek.
Ze zijn Oost-Indisch doof.
Het gaat het ene oor in en het ander uit.
Ze hebben stront in hun oren.
En maar schudden met die koppen.

Het gaat nergens over.
Heb ik wel wat te zeggen ?
vraag ik me dan af.
Blijkbaar niet, denk ik dan.
Terwijl zij staan te schudden met die koppen.

Maar luisteren, ho maar.

 

Strand en zee

 

Ik zie de stranden en de straten op een foto van jou
Plekken waar ik met mijn ouders als kind vaak kwam
Mooie plaatsen die ik niet snel meer zal bezoeken
Niet omdat ik er niet van hou, maar meer omdat het leven,
niet altijd is wat ik er eigenlijk van wilde.

Ik zie mijn vader lachen daar op die plekken op jouw foto,
En mijn moeder mooi en jong in zomer jurk,
Mijn bermudazwembroek met groene bloemen en broers die vrienden waren
Alles was vol van tomeloos geluk, zo lang geleden lijkt dat leven.
Als wind was het. Voorbij, voorbij in stilte.

Als ik je foto’s zie, dan krijg ik heimwee naar die tijd.
Heimwee naar het strand, de zon, de zee.
De kroegen, de Spanjaarden en Viva Espana
Imca Marina, Louis Prima, pesetas en Olé olé.

En een koetsier die samen met mijn vader,
Vamos, Vamos, gilde.


Vaders en zonen.

 

 

Wij keken in elkanders ogen en

herkenden al de eeuwen, tegelijk.

De grote vriendschap was geboren,

de vriendschap voor altijd.

 

Niets kon ons geluk verstoren,

geen heden of verleden en

geen toekomst en geen tijd

alles was bepaald, millennia te voren.

 

De vrouwen traden terug,

zij waren zwijgzaam en bedeesd,

precies zoals het hoorde en het zal zijn

en ook al die eeuwen is geweest.

 

Moeders handenwringend en

aardse liefde op de achtergrond.

Engelenkoren zongen

op de dag dat ik jou vond.