
DARWIN en CALVIJN
Daarwin, daarwin, daar win je bij : inzicht, uitzicht, afzicht !
Nee, het is er, overkomt ons – zonder enig doel ?
Nee, het doel moeten we zelf maken .
We zijn er zonder doel – voel in, voel uit, zoek gevoel.
Dus Calvijn deed water bij de wijn.
Dus het lot liet hij de predestinatie zijn’
Dus de evolutie is vooruitbeschikt
God regelt alles, de mens slechts wikt.
Ach, de klok der werkelijkheid wel verder tikt ¤¤¤¤####-----
Was Calvijn nu darwinist ?
Ach, de “missing link” gemist ?
Sander BROUWER
P.D. Vind zelf mijn gedicht ook wel wat onduidelijk, maar het is nu éenmaal niet ieder jaar
Darwin en Calvijn jaar en het speelt met de gedachte dat al onze voorgangers
“missing linken” zijn en wij zo ook door ons nageslacht gezien zullen worden.
Sander Brouwer
DE MIJMERENDE DICHTER
Ben ik met haat of liefde tegen medemensen opgegroeid ?
Ik haat geen duitsers, joden, arabieren, zwarten , japanners of chinezen,
ook de eskimo,s haat ik niet, maar heb ik ze lief ?
Haat ik mijzelf ? Ik weet het niet. Heb ik mij lief?
Waar droom ik van, waar hoop ik op ?
Gezond verstand, de reddende wetenschap of
Droom ik van de eerlijke, oprechte, lieve superrobot ?
------- Het is slechts toekomst die ik zie;
------- DAT is mijn hoogste vorm van poëzie !
-----------------------
EUTHANASIE
Voor de hemel geboren en dus op aarde misplaatst,
Moet ik toch aan het leven geloven !
Mijn ongelukkige jeugd, maar gelukkig bejaard –
Daartussen wat zwoegen en sloven :
Kinderen, kleinkinderen zijn vergaard.
De dood zal wel langzamerhand komen.
Het leven is kort, de eeuwigheid langst.
Leven leiden is mooi, leven lijden is angst !
Sander Brouwer
TAAL
Uit hersenhelftvoren siepelde taal,
wurmde zich murmelend uit lispelende beken,
gedekt door dekens van Egeïsche steen,
ontsnapt aan de mond van een slang.
Duwde zich lente na lente uit geelnatte löss naar omhoog,
mijn tong tartend tot spreken.
Een schokgolf die sprong uit Beethovens Fuga.
Ze danste omhoog uit Shost’s tiende kwartet.
Een havik bij zon, een uil in de nacht.
En de taal kreeg cadans in mijn tred
langs kusten en kloven, tegen hellingen op,
op de lippen een wartaal van zinnen.
Uit de pen vloeit gallige inkt die zich voegt tot een vers,
dat ruist op een tong die nog zindert van wijnen.
Spons voor mijn tranen en voor het zweet van de lach.
Een schuwe blik spreekt voor zich.
Taal is wat moest, nog voor ik kon spreken,
verlangen naar woorden die werelden dekken,
geen ooit gelijk aan een ander.
Andra moi ennepe mousa,
toen regels nog golfden als metrische stromen.
Nu verslikt zich het vers en hinken de zinnen,
en lyriek bezingt een herhalende dood.
Wie spreekt, zwijgt het meest.
In jou, Leeuwerik, stuwt het naar boven.
Sierksma, 16.2/09
Romantiek
Restaurant
werkt weer niet mee
Amuse
blijkt deprimé
Menukaart
schaars verlicht
Rekening
weer opgelicht
Zoengedoe
ook geen feest
Tandarts
lang niet langs geweest
Het oude vlees
is weer eens zwak
Strakke lak
blijkt kreukelpak
Proefballon
hopelijk niet lek
Doe wat
aan die moedervlek
Beddengoed
lang niet verschoond
Warme schoot
danig uitgewoond
Klompvoet
uit het knellend leer
Dank u wel
Ik hoef niet meer.
Ton Huizer
Naast het bed
Vele malen
afscheid genomen.
In de pauzes
van je diepe dromen.
Gebogen,
als het rietje
in het lege glas.
Verkreukeld,
als de zakdoek
in je hand van was.
Beneveld,
door een zoveelste
doorwaakte nacht.
Klein,
tegenover
zoveel overmacht.
Ton Huizer