dichtbij

 

dicht bij haar staan. je ruikt haar slaap,

loopt met haar naar buiten. ze komt

en gaat voortaan. en daar was nog

iets elke stap die haar verwijdert.

 

het meest concrete waaraan je

denken kan het bloed dat je van

haar knieën hebt gelikt. ze zegt

nog wat. je doet alsof je luistert.

 

en aan haar handje dat tussen

jouw borsten lag. mollig. plakkerig.

dat tijd er geen vat op zou hebben.

dat je dat had geloofd. gehoopt.

 

dat doet je laten slikken. haar

fiets komt los. als zij opstapt. rijdt.

bevriest ze in het zonlicht.

gras dat nat is

 

een dochter komt thuis. kopjes trillen op tafel. alleen bij vrachtwagens met gevulde watertank schudt het huis. verder geen geluiden. haar rechterhand opent de knopen van haar jas, door de druppels op het raam kijkt ze naar buiten, waar een appelboom staat naast andere appelbomen. zij kent verre landen.

 

als vader zijn arm over zijn gezicht strijkt, houdt hij het mes nog in de hand. hij denkt: het licht is ’s avonds mooier dan in de ochtend wanneer hij van een boom vandaan, door het gras dat nat is, naar het huis waar hij eet en slaapt

 

een man rijdt langs, ziet een man die kijkt naar zijn voeten of het gras, een jonge vrouw, die stopt met rennen en hoe wind een hert, dat gevild is, wiegt. het vlees zacht en zonder weerstand.

liftster

 

de oude hippie waargenomen, zijn dodge, vertelde zijn leven ongegeneerd en ‘ik heb nog nooit iemand meegenomen,’ met onzekere bewegingen stuurde de vrouw van beter bed de stabiele mercedes over landerige wegen langs knoestige bomen, slingerende sloten. zwaailicht bij een rotonde. er lag een kind of was het een vrouw? schoenen zonder voeten. mensen gaan dood. de leeuwentatoo op zijn staaldraadarm en dat ie mooi sprak, de vrachtwagenchauffeur ‘we meten ons geluk af aan het ongeluk van een ander.’ vanuit zijn hoogte samen gezwegen. en andere achterbanken, spullen wiens bestaan de inzittenden waren vergeten, gulzige ogen, uitgewoonde gezichten, glimlachjes die aansporen, uit een autobox een eenvoudig maar droevig gitaarloopje en een stem als de roos die jezus baarde, witte wieven, die de aarde ontstegen, het land overwoekerden. zolang als het duurde waande ze zich opgenomen in een ijzige steppe, met verwachtingen als blote voeten, zoveel mogelijk van haar achter gelaten verdween zij in de strepsilsnoepjesrode zonsondergang. de chauffeurs – terug van onderweg de dodge geboend, een kin gestreeld, een wang, herinneringen afgestoft, opnieuw bekeken, voor het slapen gaan naar de sterren staren langer dan andere nachten, de ogen gesloten, de glinstering onopgemerkt, bij het wakker worden naar de dingen die er altijd waren teruggekeerd

tussen kale bomen

 

tussen kale bomen liep hij

op natte bloedrode bladeren

kwam er een wolk tegen

stak zijn hand erin, trok ze er weer uit

maar het mes is er gebleven

waarmee hij doodde