
Voor de Rotterdamse gasten
Voorgedragen door Paul Lokkerbol
Lotus Garden
Dat we hier zijn met tussen ons
de gebakken vis in zoetzure saus
en donker geroosterde lamskoteletten
en de rijst in een kom en tjap tjoy,
en jij met een glas water en ik
met een hoog glas bier op een voet;
dat we spreken zoals we spreken
en zitten zoals we zitten,
doen zoals we doen,
terwijl buiten de koude avond
te beginnen staat, koud als
een verleden dat stil wil blijven,
koud als een steen over een dode;
dat de kimono van het Nederlandse
meisje vóór iets open valt en
het gekke blonde haar het gezicht
voor een helft verborgen houdt,
en de voetstappen op de keien
klinken bij het naar huis lopen
onder het toeziende hoge oog
van de kerk met bakstenen schouders,
alleen tegenover een leeg plein.
---
Zand
De rode sportwagen van de broer
van de ex-dictator stond te koop.
Ik dacht, ik kruip er even in,
wat kan het mij nou schelen.
Op het dashboard zat een bloedvlek,
tussen benzinemeter en toerenteller.
Maar ook de resten van een mug
zag ik en ik veegde het weg.
Ik duwde de pedalen in
en schakelde met het pookje.
Mijn hand aan het stuur en
de elleboog over de portierrand.
Zo zacht het leer van de stoelen,
zoals de huid van een geliefde.
Ik dacht aan de vele nachten
vol diepe verrukking met jou.
Bevalt ie? sprak de verkoper,
hij had een dubbele nationaliteit.
Op de achterzitting lag een heel
klein beetje zand, woestijnstof.
Nee, zei ik en stapte eruit,
ik had die dag nieuwe schoenen aan.
Ze zaten nog niet helemaal top,
ik was ze aan het inlopen.
Wie ben ik dat ik me meng
in de feiten van de geschiedenis.
Dat ik denk zomaar te kunnen doen
en erg van je heb gehouden.
---
Keien
Ze gaan zitten zwijgen
met een vinger voor de lippen
en kijken me strak aan,
tussen ons in staat een blad
met een koffiekan en kopjes
en per stuk verpakte koekjes.
Ik stel me voor
dat een staaf of stift
een koekje op een plaats duwt,
onder gesis folie eromheen
komt en wordt gedicht,
een andere staaf of stift
het verpakte koekje een richting
op duwt, een lopende band
verdwijnt uit het zicht.
Als mijn moeder belt,
om over zichzelf te praten,
klinkt een muur van losse keien
iets meer in,
losse keien klinken in.
Jan Vissers.
Thuis is het stil
En le velo
En bicyclette
Op de racefiets
Kende ik successen
Ook al was eigenlijk een grabbelaar
Terwijl ik trainde
Droomde ik
Van die ene vrouw
En weer van die andere
Ik schakelde een tandje bij
Ik trainde voor de overwinning
Tijdens 1 van mijn wedstrijden
In een ver land
Vloog ik uit de bocht
Maar dat had ik niet door
Ik volgde de meeuw die voor mij vloog
En belandde in het verre wilde westen
Althans dat leek zo
Het was er in ieder geval verlaten
En het was er stil
Zo stil, dat ik mijn hart kon horen fluisteren
Tranen met tuiten
Het was er zo stil
Dat mijn hart eindelijk
Weer even thuis kon zijn
Bij zichzelf
Bram de Waard copyright 2008
| Waar is zij. | |
Mijn lege hart, dwaalt door de straten. Ander licht, zie ik, in huizen waar ik eens kind aan huis was. Mijn stem klonk door de vroege avond Oewaai !!!! Oewaai!!! dan met mijn vrienden langs parken en speeltuin. Waar mijn hart weer thuis zou willen komen, maar waar ?? Waar zijn de vrienden na al die jaren? Waar is zij?? zij die ik toen zo lief had en die ik s’avonds zoende in de zandbak |
|
| Antibes | |
Het kasteel
|
|
bereid je maar vast voor knulletjes bloemfestoen
sprak een dame bij Eijlders naar haar aard meewarig
want ik weur binnenkurt in heugst êggû kring jarig
jullie hâhâ zullen het dus sans moi moeten doen
zij had echter buiten de waard gerekend
die schreef zo 17 feb dicht op zijn raam
je mot dan maar naar de deftige dame toegaan
die is dan jarig en ze hep op heden geen weet
hoeveul ze veur ons soeurt vulluk betekent
Jos Zuijderwijk
Grensverkeer
voor Meta
Er is een universum dat
jouw naam draagt, ergens, hier,
nog dichterbij. Als ik kijk
opent het zich, genoeg voor een ogenblik,
een aarzelend betasten, een vermoeden
van twee werelden. Er is grensverkeer,
je huid is een plaats waar wij elkaar
naderen, kruiselings lichaam en ziel,
spelenderwijs, strelenderwijs,
waar ik je aanraak en
in je verdwaal, verdwijn, hier,
nog dichterbij. Er is een thuiskomst.
© Joop Scholten 2008, www.joopscholten.nl
Wat zich laat denken (4).
Meer dan deze kamer
en de verloren herinneringen
die er onopgeruimd in rondzweven
meer dan alles wat ik
er omheen heb geconstrueerd
zonder het met zoveel woorden te zeggen
je zou hier weg kunnen gaan
en je komt thuis met de zee in je ogen
met de wind om je heen
en alle verhalen
die je onderweg zijn aangewaaid
je zou ze aan mij vertellen en mij laten voelen
hoe koud je wangen zijn geworden
en ik was benaderbaar
meer dan deze kamer zou je zijn.
© Joop Scholten 2007, www.joopscholten.nl
Jij als je slaapt.
Je slaapt, je slaapt.
Ik kijk naar je,
kijk hoe je slaapt.
Je slaapt maar door.
Ik zou je wakker
kunnen maken. Zou.
Maar het is beter
dat je blijft slapen.
Je hebt het nodig.
Daarom slaap je.
Misschien droom je
dat je slaapt.
En in je droom
wordt het vanzelf waar:
je slaapt echt,
je droomt,
je slaapt,
je droomslaapt.
Je bent vlak bij me.
En ver weg.
Ik weet niet waar
je bent. Hoeft niet.
Ik kijk wel naar je,
hoe je slaapt.
Je slaapt maar door.
Oneindig.
En nog verder.
Je slaapt. Je slaapt.
© Joop Scholten 2007, www.joopscholten.nl
Spijt toe
pijngrensgeval overschrijdt haar toelaatbare
gewaar van zijn beperkingen verbijt hij haar pijn
schreeuwt liever zijn longen verbeten binnenstebuiten
laat zijn komaf nog eens stuitende achter in woorden en gedrochten de taal onbekend
zijn haren wapperen woedend hun eigen mening
weerbarstiger nog dan zijn oude vader ooit
hij slaat verschrikt de aarzelende noten neer
speel ik met je ?
geen reactie
speel ik voor je ?
geen reactie
speel ik dat je ?
geen reactie
kom terug
kom terug
kijk dan! ik huil!
zag je het?
samson huilt
zijn haren
spijt toe
Mike Platenkamp
Visser |
||
raden? vroeg ze schalks toen ik haar naar haar leeftijd vroeg snel een andere lens gezocht en een motivatie voor waar de zinnen spelen voor waar de liefde tierig doet welen voor waar de anderen net als jij voor waar het denkbeeld vrank en vrij voor waar demonen schamperen voor waar onze rollen nooit vast staan de bezemkast gesloten wanneer de mening ongezouten sporen slaat verdroten voor waar jouw blikken vragende een antwoord forceerde het script al schrijvende keek ik nog eens goed en probeerde "tweeëntwintig?" je antwoordde een lach ober! |
||
|
||
Krakend bot
verkoos ik maar de discipline
wat mij ontbreekt
dat mij verzaakt
bezat ik maar de discipline
om niet te voelen
wat me raakt
begreep ik maar die discipline
die mensen aan het werken zet
die elke keer maar bij die anderen
het bloed van goed naar kwaad verwedt
keek ik al
als kleine jongen
enorm op tegen jouw gouden handdruk, mijn vriend
dat je na 50 trouwe jaren
het genieten van je rust verdient
kijk ik al
van nader orde
de bal verspelen is mijn lot
hoe anderen het geld verdienen
loonslavernij en krakend bot
krijg ik al
uitslag van buiten
als binnenin de noodklok luidt
ter illustratie van mijn zinnen
de spuigaten daar loopt het uit
maar
de ware kunsten openbaren zich
als luchtspiegelingen boven een strak witte woestijn
ik hoop dat ik ze mag beminnen
momenten dat ik daar kan zijn
hoe vel ook
het contrast
tussen mijn wensen
en mijn wijsheid
de dichter
buigt
krakend bot
Mike Platenkamp
Wachten op Godot
( Denkend aan Beckett, Sartre, Anton Constandse. )
In het eindeloos gedram,
over Christendom, politiek en Islam.
Wordt een geluid node gemist.
Dat van de vrijdenker, of humanist.
Een geniale, goede God,
schonk ons een vrije wil.
Maar helaas…
blijkbaar net niet genoeg hersens,
of enig ander denkorgaan,
om met die vrije wil behoorlijk om te gaan.
Als dat geen rampscenario is
Lieve Heer.
Dan weet ik het niet meer.
Je geeft een kleuter een geladen pistool.
En belooft hem een ijsje…als hij niet gaat schieten.
Resultaat,
gesmolten ijs.
En een geschiedenis van eeuwig bloedvergieten.
We pikken het niet meer
meneer de Heer.
En kondigen harde actie aan.
De wereldbol gaat plat.
We weigeren nog langer dood te gaan.
Kiezen voor een vitaal en oeverloos leven.
Dat in geen enkel heilig boek
ooit is beschreven.
Ver van religieuze bekrompenheid.
Bevrijd van zonde en van tijd.
Doen wij onszelf een nieuw bestaan cadeau.
En wachten nooit meer op een God.
Of op Godot
Ton Huizer
VREEMD
(Zuiderbegraafplaats Rotterdam)
Vreemd…
Hoe mensen verdwijnen.
Als verdampt uit het leven.
Zelfs niet meer
in dromen verschijnen.
Geen levende ziel
vergat ooit,
de laatste deur
achter zich te sluiten.
Een voorgoed begint.
Het tijdelijk blijft buiten.
Waar…
in de lange stralen
van het eerste licht.
Een merel zingt en dicht.
Van hoe leven komt en gaat.
En slechts vragen achterlaat.
Ton Huizer
OOIT
DEELDEN WE HET LICHT
VAN LATE ZOMERAVONDEN
EN SPEELDEN WE OP STRAAT
HET LEVEN LEEK NOG EINDELOOS
DE DROOM WAS IN DE DAAD
DE MATEN WAREN KLEIN
MAAR DE VERBEELDING GROOT
ONS TROTSE VLOT
BEVOER DE WIJDE ZEE
DOOR MENIG SMALLE SLOOT
DE BESTE DOELMAN VAN HET LAND
DOOK MOEDIG OP DE HARDE STRAAT
GEEN BAL ONTSNAPTE AAN ZIJN HAND
VASTBERADENHEID OP HET GELAAT
RIDDERS EN INDIANEN
ZIJN UIT DE STRAAT VERDWENEN
DE JACHTVELDEN STAAN VOL MET BLIK
ASFALT BEDEKT DE OUDE STENEN
DE DRONKEN SCHEPEN
VAN DE JEUGD
ZE ZIJN NIET ACHTER ONS VERBRAND
MAAR RAAKTEN LEK
NET ALS DE BAL
EN RUSTEN AAN HET STRAND
TON HUIZER
Een Strandlied
( voor Marianne,
m’n Boskabouterin
tevens Zeemeermin )
De adem van de eeuwigheid
laat zich beluisteren
als een Piper Cub in de zon
met op de achtergrond
het gejank van een dromende hond
terwijl een leeuwerik onbevangen
de troosteloos blauwe hemel beklimt
*
Of is het een nachtegaal die zingt?
Ik weet het niet, ik weet het niet
*
Bovendien
Wat moet men hiermee?
Niemand die het hoort
en niemand die het ziet
in de stilte voor de storm
die zich ontwikkelt
boven zee
*
Nog een Strandlied
In de lijzij van de zomer
rondom een ooit gestolen uur
van een voor de rest volstrekt mislukte dag
liep ik mezelf tegen het lijf
op een van God, stad en land
sinds Genesis verlaten strand
*
Uit Zijn genadeloos blauwe verten
lande er –onverhoeds- in al z’n overmoed
een zwart gevleugeld gat in de dag
naast het verloren gegane kind
dat ik daar die middag was
*
Een zwart gevleugeld gat zo gesloten
als een nog niet gevallen winternacht
*
Onomkeerbaar wist ik het toen zeker:
als een pijl uit een boog
als een ooit geworpen speer
zijn we hier met z’n allen maar voor even
en keert geen van ons ooit weer
*
In wezen is er dus niks aan de hand
*
Alleen maar dit gedicht, dat kind en die kraai
op dat van God, stad en land
sinds Genesis verlaten strand
*
Zij Heeft Me Sherry Leren Schenken
ofwel: Lang Leve Het Droogboeket!
Niets te melden
niets te zeggen
*
Uitgeluld als ze is
kent haar schaduw geen licht
*
Ze ziet, ze hoort, ze ruikt, ze voelt
en proeft niks
*
Ze leest
*
Desondanks
houdt ze vanachter haar krant
de situatie volledig in de hand
*
Als ze opstaat en zich bukt
om een gevallen bloem
uit haar verleden op te rapen
herkent ze ter plekke het geluk
waaraan ze zich, net als toen
tomeloos weet te laven
*
En ik, ik kijk en zie
en schenk nog wat sherry
*
Uit m’n horloge
in de garage
Rik Comello
Zie hier voor een evenment waar Rik aan mee werkt.
*
Aan deze foto kleeft wat bloed
al toont zij enkel zwierigheid;
serpentines tussen wal en schip
zwakke hangbrug voor een ogenblik.
Daar ga je dan met stenen in je maag,
de slingers breken en dus ook je hart.
Je noemt het avontuur, maar het is smart.
Er komt geen einde meer aan deze trip.
Er staan wat vrouwen aan de waterkant,
hun woorden spinnen nog een ijle draad,
die taai aan de verschansing hangt,
een witte zakdoek kust de lucht.
Stilaan worden de mensen vaag,
maar bijten feller onderhuids,
het land verdwijnt in naalddiep zeer,
dan is er enkel zee en licht.
En op de railing, wit en koud
twee handen; met een felle grip
knijpen zij stom het schreeuwen weg,
dat in de ogen achterblijft.
P. Goedhart
Manos Hadjidakis. Vertaling en bewerking: P. Goedhart
Een twee drie vier kussen geef ik aan de wereld,
ze zweven van ’t balkon.
Een twee drie vier meeuwen ze vliegen ver weg
boven havens in de zon.
Als ik toch eens een twee drie vier mooie
jonge zonen had.
Grote sterke kerels! Ze worden de trots
van mijn mooie havenstad.
En iedere dag als ik de wereld groet,
hou ik van iedereen die ik op straat ontmoet.
En elke nacht droom ik van iedereen,
zie ik de mooie wereld glinsteren om mij heen.
’k Draag juwelen om mijn hals; een geluksamulet
die vanavond kansen biedt.
Ik verlang zo naar die ene volmaakte die ik
kan verleiden met mijn lied.
Ik loop ’s avonds langs de kaden en zie alle schepen,
de wereld trekt voorbij.
Barcelona en New York, Rotterdam en Piraeus,
ze liggen zij aan zij.
’k Heb lang gezocht naar de verborgen schat,
die mij betoverd heeft, in deze havenstad.
Ik hoor de klank van liederen in de nacht,
kreten, gelach, lawaai, boordevol levenskracht.
In mijn kooi, het houtwerk kraakt,
de airconditioning
zingt een lied.
Nog een laatste sigaret
dan drijf ik stuurloos op de zee
van de slaap.
En het stalen schip
wiegt rustig op de golven voort.
O jij grijze moeder
zo mooi en zo verschrikkelijk.
Je belooft mij alles,
toch ontzeg je mij je lichaam.
In mijn kast, een portefeuille
met daarin een foto
van een vrouw.
Varen wil ik in haar ogen
op de blauwe wateren
van de hoop.
In de witte lijst
blijft zij onbereikbaar ver.
Ach die dorst is niet te lessen
– al dat water om je heen
al dat water in die ogen –
nergens vind je een bestemming.
En een golf slaat met een schreeuwen
over de verschansing
van het hart.
Eenzaamheid trekt
zoute sporen op
de zeemanshuid.
P. Goedhart
Ontmoeting
Soms
als ik denk
dat de eeuwen elkaar altijd
mislopen
en de zin van het verleden
ermee verdwijnt,
dan kijk ik naast mij.
Een man van tachtig zit
te zitten als vroeger, maar
wel
als stampot in de zomer.
Kan de ochtendspits nog lomer?
Zijn oogjes sprankelen nog
zijn jeugd.
Hij geurt naar wekpotten in de
bezemkast
en voelt, als ik hem zou
betasten,
naar vadertje Drees,
wiens hand dit lage land
herrees.
Zijn grip vervaagt en mistig
zijn eeuw
in het wandelen van de tijd.
Nooit
Het ijs van de wereld heeft nog nooit zo koud geklonken.
De tijd nooit eerder onthandzamer dan ‘nee’.
De jeugd in mijn adem nooit dieper gezonken,
en tranen nooit zouter dan die van de zee.
Het talen naar vrede nooit sipper dan weemoed.
Het dralen met rede nooit heter dan peuken.
Contact met berooiden nooit mooier dan voorspoed,
en dichten nooit grijzer dan geletterd neuken.
Het hart was nooit eerder als liefde met spruitjes.
De haat niet eerder correcter dan ‘juist’.
De lach nooit triester in t’spiegelen van ruitjes.
En troost nooit bleker, een wankele knuist.
Thema Thuis(14-2-2008)
Het was even zoeken naar waar
mijn zinnen hun gelag genieten en
waar mijn woorden een puntje
krijgen, waar mijn hart gelijk opgaat
met het klokje dat tikt
zoals het nergens tikt. Waar mijn
lach
wordt ontvangen zonder schamper.
Daar waar de schaal altijd rondgaat,
belegd met troost en toast.
Daar waar mijn biertje klaarstaat.
Aurora Guds
MEGAMORFOSE
‘U kent mij wel, u kent mij niet –
ik ben de havens van de stad
en transformeer zoals u ziet.
De schepen gingen in mij binnen,
de mannen werkten aan mijn zij,
ik transporteerde allerlei,
maar ga iets groots & nieuws beginnen.
Maak mij open, pak mij uit,
en zie de dolle toekomstsprongen
rond mijn schone waterlongen:
rechts in Noord en links op Zuid.
Mijn naam luidt Sheherazade –
van grote woorden, grootse daden.’
BITTERBALLEN
Ik leef gezond,
ik doe aan sport,
gezellige sport,
gemengde sport,
zondagse sport.
Je zit er bij,
met iets te drinken erbij.
Je doopt om beurten
een bal in de kom,
brengt die zwierig
naar de mond en werkt
die in één, twee of drie
etappes naar binnen.
Ik zit op bitterballen,
met drie, zeven of zestien
aardige medeballers.
De ballen in ons restaurant
zijn gelukkig aan de
knapperige en vierkante kant.
OP LEVEN EN DOOD
Ik toost op leven en dood,
glas na glas na glas;
ik drink op leven en dood,
fles na fles na fles;
ik zuip op leven en dood,
kist na kist na kist –
en dan nog één...