Voor de Rotterdamse gasten

 

Het regent in Rotterdam

grote wolken over de stad

ik weet ook niet hoe het kwam

maar gisteravond zag ik dat

de brug, de straat, alles in het licht

geen plek om 's avonds heen te gaan

zonder de gloed in jouw gezicht

geen hoek om uit de wind te staan

het regent in Rotterdam

donderdagavond, guur en kil

toen de nacht het stokje overnam

in m'n kamer, hoog en stil

laat de toekomst maar beginnen

hier in de haven, hier op de kop

echt, jouw schoonheid zit van binnen

daar kan geen oorlog tegenop

 Jack Poels van Rowwen Heze

Voorgedragen door Paul Lokkerbol

 

Lotus Garden
 
Dat we hier zijn met tussen ons
de gebakken vis in zoetzure saus
en donker geroosterde lamskoteletten
en de rijst in een kom en tjap tjoy,
 
en jij met een glas water en ik
met een hoog glas bier op een voet;
 
dat we spreken zoals we spreken
en zitten zoals we zitten,
doen zoals we doen,
 
terwijl buiten de koude avond
te beginnen staat, koud als
een verleden dat stil wil blijven,
koud als een steen over een dode;
 
dat de kimono van het Nederlandse
meisje vóór iets open valt en
het gekke blonde haar het gezicht
voor een helft verborgen houdt,
 
en de voetstappen op de keien
klinken bij het naar huis lopen
onder het toeziende hoge oog
van de kerk met bakstenen schouders,
alleen tegenover een leeg plein.
 
---
 
Zand

De rode sportwagen van de broer
van de ex-dictator stond te koop.
Ik dacht, ik kruip er even in,
wat kan het mij nou schelen.
 
Op het dashboard zat een bloedvlek,
tussen benzinemeter en toerenteller.
Maar ook de resten van een mug
zag ik en ik veegde het weg.
 
Ik duwde de pedalen in
en schakelde met het pookje.
Mijn hand aan het stuur en
de elleboog over de portierrand.
 
Zo zacht het leer van de stoelen,
zoals de huid van een geliefde.
Ik dacht aan de vele nachten
vol diepe verrukking met jou.
 
Bevalt ie? sprak de verkoper,
hij had een dubbele nationaliteit.
Op de achterzitting lag een heel
klein beetje zand, woestijnstof.
 
Nee, zei ik en stapte eruit,
ik had die dag nieuwe schoenen aan.
Ze zaten nog niet helemaal top,
ik was ze aan het inlopen.
 
Wie ben ik dat ik me meng
in de feiten van de geschiedenis.
Dat ik denk zomaar te kunnen doen
en erg van je heb gehouden.
 
---
 
Keien
 
Ze gaan zitten zwijgen
met een vinger voor de lippen
en kijken me strak aan,
 
tussen ons in staat een blad
met een koffiekan en kopjes
en per stuk verpakte koekjes.
 
Ik stel me voor
dat een staaf of stift
een koekje op een plaats duwt,
 
onder gesis folie eromheen
komt en wordt gedicht,
 
een andere staaf of stift
het verpakte koekje een richting
op duwt, een lopende band
verdwijnt uit het zicht.
 
Als mijn moeder belt,
om over zichzelf te praten,
 
klinkt een muur van losse keien
iets meer in,
losse keien klinken in.

Jan Vissers.

Thuis is het stil

 

En le velo

En bicyclette

Op de racefiets

Kende ik successen

Ook al was eigenlijk een grabbelaar

 

Terwijl ik trainde

Droomde ik

Van die ene vrouw

En weer van die andere

Ik schakelde een tandje bij

Ik trainde voor de overwinning

 

Tijdens 1 van mijn wedstrijden

In een ver land

Vloog ik uit de bocht

Maar dat had ik niet door

Ik volgde de meeuw die voor mij vloog

En belandde in het verre wilde westen

Althans dat leek zo

Het was er in ieder geval verlaten

En het was er stil

 

Zo stil, dat ik mijn hart kon horen fluisteren

Tranen met tuiten

 

Het was er zo stil

Dat mijn hart eindelijk

Weer even thuis kon zijn

 

Bij zichzelf

 

Bram de Waard copyright 2008

Waar is zij.
Mijn lege hart,
dwaalt door de straten.
Ander licht, zie ik, in huizen
waar ik eens kind aan huis was.
Mijn stem klonk door de vroege avond
Oewaai !!!! Oewaai!!!
dan met mijn vrienden
langs parken en speeltuin.
Waar mijn hart weer thuis zou willen komen,
maar waar ??
Waar zijn de vrienden na al die jaren?
Waar is zij?? zij die ik toen zo lief had
en die ik s’avonds zoende in de zandbak

 

Antibes

Het kasteel
Vol licht en de zee die zo blauw is
Met de lucht en cipressen
Om daar te wonen met die kleuren
Al die kleuren en dat moois
En jij die daar staat
en waarschijnlijk aan iets anders denkt
Aan vroeger.
Met verre ogen
Of in je hoofd luistert
Naar het concert voor de doden
Terwijl ik niets hoor
Ik leef om te kijken
Naar al dat moois
Van jou


Ronald Offerman

 

de waard en zijn gasten

bereid je maar vast voor knulletjes bloemfestoen
sprak een dame bij Eijlders naar haar aard meewarig
want ik weur binnenkurt in heugst êggû kring jarig
jullie hâhâ zullen het dus sans moi moeten doen

zij had echter buiten de waard gerekend
die schreef zo 17 feb dicht op zijn raam
je mot dan maar naar de deftige dame toegaan
die is dan jarig en ze hep op heden geen weet
hoeveul ze veur ons soeurt vulluk betekent


Jos Zuijderwijk

 

Grensverkeer

 

voor Meta

 

 

Er is een universum dat

jouw naam draagt, ergens, hier,

 

nog dichterbij. Als ik kijk

 

opent het zich, genoeg voor een ogenblik,

een aarzelend betasten, een vermoeden

 

van twee werelden. Er is grensverkeer,

 

je huid is een plaats waar wij elkaar

naderen, kruiselings lichaam en ziel,

 

spelenderwijs, strelenderwijs,

 

waar ik je aanraak en

in je verdwaal, verdwijn, hier,

 

nog dichterbij. Er is een thuiskomst.

 

 

© Joop Scholten 2008, www.joopscholten.nl

 

 

 

Wat zich laat denken (4).

 

 

Meer dan deze kamer

en de verloren herinneringen

die er onopgeruimd in rondzweven

 

meer dan alles wat ik

er omheen heb geconstrueerd

zonder het met zoveel woorden te zeggen

 

je zou hier weg kunnen gaan

 

en je komt thuis met de zee in je ogen

met de wind om je heen

en alle verhalen

die je onderweg zijn aangewaaid

 

je zou ze aan mij vertellen en mij laten voelen

hoe koud je wangen zijn geworden

en ik was benaderbaar

 

meer dan deze kamer zou je zijn.

 

 

© Joop Scholten 2007, www.joopscholten.nl

 

 

 

Jij als je slaapt.

 

 

Je slaapt, je slaapt.

Ik kijk naar je,

kijk hoe je slaapt.

Je slaapt maar door.

 

Ik zou je wakker

kunnen maken. Zou.

Maar het is beter

dat je blijft slapen.

Je hebt het nodig.

Daarom slaap je.

 

Misschien droom je

dat je slaapt.

En in je droom

wordt het vanzelf waar:

 

je slaapt echt,

je droomt,

je slaapt,

je droomslaapt.

 

Je bent vlak bij me.

En ver weg.

Ik weet niet waar

je bent. Hoeft niet.

Ik kijk wel naar je,

hoe je slaapt.

 

Je slaapt maar door.

Oneindig.

En nog verder.

Je slaapt. Je slaapt.

 

 

© Joop Scholten 2007, www.joopscholten.nl

                                                                                               

                                                                                        Spijt toe

pijngrensgeval overschrijdt haar toelaatbare
gewaar van zijn beperkingen verbijt hij haar pijn
schreeuwt liever zijn longen verbeten binnenstebuiten
laat zijn komaf nog eens stuitende achter in woorden en gedrochten de taal onbekend

zijn haren wapperen woedend hun eigen mening
weerbarstiger nog dan zijn oude vader ooit
hij slaat verschrikt de aarzelende noten neer
speel ik met je ?
geen reactie
speel ik voor je ?
geen reactie
speel ik dat je ?
geen reactie

kom terug
kom terug

kijk dan! ik huil!
zag je het?

samson huilt
zijn haren
spijt toe
   

Mike Platenkamp

Visser
l
raden? vroeg ze schalks
toen ik haar naar haar leeftijd vroeg
snel een andere lens gezocht
en een motivatie

voor waar de zinnen spelen
voor waar de liefde tierig doet welen
voor waar de anderen net als jij
voor waar het denkbeeld vrank en vrij
voor waar demonen schamperen

voor waar onze rollen nooit vast staan
de bezemkast gesloten
wanneer de mening ongezouten
sporen slaat verdroten

voor waar jouw blikken vragende
een antwoord forceerde
het script al schrijvende

keek ik nog eens goed en probeerde
"tweeëntwintig?"

je antwoordde
een lach

ober!

Mike Platenkamp

Krakend bot

verkoos ik maar de discipline
wat mij ontbreekt
dat mij verzaakt

bezat ik maar de discipline
om niet te voelen
wat me raakt

begreep ik maar die discipline
die mensen aan het werken zet
die elke keer maar bij die anderen
het bloed van goed naar kwaad verwedt

keek ik al
als kleine jongen
enorm op tegen jouw gouden handdruk, mijn vriend
dat je na 50 trouwe jaren
het genieten van je rust verdient

kijk ik al
van nader orde
de bal verspelen is mijn lot
hoe anderen het geld verdienen
loonslavernij en krakend bot

krijg ik al
uitslag van buiten
als binnenin de noodklok luidt
ter illustratie van mijn zinnen
de spuigaten daar loopt het uit

maar

de ware kunsten openbaren zich
als luchtspiegelingen boven een strak witte woestijn
ik hoop dat ik ze mag beminnen
momenten dat ik daar kan zijn

hoe vel ook
het contrast
tussen mijn wensen
en mijn wijsheid

de dichter
buigt

krakend bot

Mike Platenkamp

   

 Wachten op Godot

( Denkend aan Beckett, Sartre, Anton Constandse. )

 

In het eindeloos gedram,

over Christendom, politiek en Islam.

Wordt een geluid node gemist.

Dat van de vrijdenker, of humanist.

 

Een geniale, goede God,

schonk ons een vrije wil.

Maar helaas…

blijkbaar net niet genoeg hersens,

of enig ander denkorgaan,

om  met die vrije wil  behoorlijk om te gaan.

 

Als dat geen rampscenario is

Lieve Heer.

Dan weet ik het niet meer.

 

Je geeft een kleuter een geladen pistool.

En belooft hem een ijsje…als hij niet gaat schieten.

 

Resultaat,

gesmolten ijs.

En een geschiedenis van eeuwig bloedvergieten.

 

We pikken het niet meer

meneer de Heer.

En kondigen harde actie aan.

 

De wereldbol gaat plat.

We weigeren   nog langer dood te gaan.

 

Kiezen voor een vitaal en oeverloos leven.

Dat in geen enkel heilig boek

ooit is beschreven.

 

Ver van religieuze bekrompenheid.

Bevrijd van zonde en van tijd.

Doen wij onszelf een nieuw bestaan cadeau.

En wachten nooit meer op een God.

 

                                                             Of op Godot                                                                 

Ton Huizer

 

VREEMD

(Zuiderbegraafplaats Rotterdam)

 

Vreemd…

Hoe mensen verdwijnen.

Als verdampt uit het leven.

Zelfs niet meer

in dromen verschijnen.

 

Geen levende ziel

vergat ooit,

de laatste deur

achter zich te sluiten.

 

Een voorgoed begint.

Het tijdelijk blijft buiten.

 

Waar…

in de lange stralen

van het eerste licht.

 

Een merel zingt en dicht.

Van hoe leven komt en gaat.

En slechts vragen achterlaat.    

                                                     

Ton Huizer

 

JEUGD

 OOIT

DEELDEN WE HET LICHT

VAN LATE ZOMERAVONDEN

EN SPEELDEN WE OP STRAAT

 

HET LEVEN LEEK NOG EINDELOOS

DE DROOM WAS IN DE DAAD

 

DE MATEN WAREN KLEIN

MAAR DE VERBEELDING GROOT

 

ONS TROTSE VLOT

BEVOER DE WIJDE ZEE

DOOR MENIG SMALLE SLOOT

 

DE BESTE DOELMAN VAN HET LAND

DOOK  MOEDIG OP DE HARDE STRAAT

GEEN BAL ONTSNAPTE AAN ZIJN HAND

VASTBERADENHEID   OP HET GELAAT

 

RIDDERS EN INDIANEN

ZIJN UIT DE STRAAT VERDWENEN

DE JACHTVELDEN STAAN VOL MET BLIK

ASFALT BEDEKT DE OUDE STENEN

 

DE DRONKEN SCHEPEN

VAN DE JEUGD

ZE ZIJN NIET ACHTER ONS VERBRAND

MAAR RAAKTEN LEK

NET ALS DE BAL

 

                                    EN RUSTEN AAN HET STRAND                                        

 

TON HUIZER

 

Een Strandlied

( voor Marianne,

m’n Boskabouterin

tevens Zeemeermin )  

 

De adem van de eeuwigheid

laat zich beluisteren

als een Piper Cub in de zon

met op de achtergrond

het gejank van een dromende hond

terwijl een leeuwerik onbevangen

de troosteloos blauwe hemel beklimt

*

Of is het een nachtegaal die zingt?

Ik weet het niet, ik weet het niet

*

Bovendien

Wat moet men hiermee?

Niemand die het hoort

en niemand die het ziet

in de stilte voor de storm

die zich ontwikkelt

boven zee

*

 

 

Nog een Strandlied

 

In de lijzij van de zomer

rondom een ooit gestolen uur

van een voor de rest volstrekt mislukte dag

liep ik mezelf tegen het lijf

op een van God, stad en land

sinds Genesis verlaten strand

*

Uit Zijn genadeloos blauwe verten

lande er –onverhoeds- in al z’n overmoed

een zwart gevleugeld gat in de dag

naast het verloren gegane kind

dat ik daar die middag was

*

Een zwart gevleugeld gat zo gesloten

als een nog niet gevallen winternacht

*

Onomkeerbaar wist ik het toen zeker:

als een pijl uit een boog

als een ooit geworpen speer

zijn we hier met z’n allen maar voor even

en keert geen van ons ooit weer

*

In wezen is er dus niks aan de hand

*

Alleen maar dit gedicht, dat kind en die kraai

op dat van God, stad en land

sinds Genesis verlaten strand

*

 

 

Zij Heeft Me Sherry Leren Schenken

ofwel: Lang Leve Het Droogboeket!

 

Niets te melden

niets te zeggen

*

Uitgeluld als ze is

kent haar schaduw geen licht

*

Ze ziet, ze hoort, ze ruikt, ze voelt

en proeft niks

*

Ze leest

*

Desondanks

houdt ze vanachter haar krant

de situatie volledig in de hand

*

Als ze opstaat en zich bukt

om een gevallen bloem

uit haar verleden op te rapen

herkent ze ter plekke het geluk

waaraan ze zich, net als toen

tomeloos weet te laven

*

En ik, ik kijk en zie

en schenk nog wat sherry

*

Uit m’n horloge

in de garage

Rik Comello

Zie hier voor een evenment waar Rik aan mee werkt.

www.cultureleraadmonster.nl

 

*

 

 

EMIGRANT

 

Aan deze foto kleeft wat bloed

al toont zij enkel zwierigheid;

serpentines tussen wal en schip

zwakke hangbrug voor een ogenblik.

 

Daar ga je dan met stenen in je maag,

de slingers breken en dus ook je hart.

Je noemt het avontuur, maar het is smart.

Er komt geen einde meer aan deze trip.

 

Er staan wat vrouwen aan de waterkant,

hun woorden spinnen nog een ijle draad,

die taai aan de verschansing hangt,

een witte zakdoek kust de lucht.

 

Stilaan worden de mensen vaag,

maar bijten feller onderhuids,

het land verdwijnt in naalddiep zeer,

dan is er enkel zee en licht.

 

En op de railing, wit en koud

twee handen; met een felle grip

knijpen zij stom het schreeuwen weg,

dat in de ogen achterblijft.

 

 

P. Goedhart

Kinderen van PiraEus

Manos Hadjidakis. Vertaling en bewerking: P. Goedhart

 

Een twee drie vier kussen geef ik aan de wereld,

ze zweven van ’t balkon.

Een twee drie vier meeuwen ze vliegen ver weg

boven havens in de zon.

 

Als ik toch eens een twee drie vier mooie

jonge zonen had.

Grote sterke kerels! Ze worden de trots

van mijn mooie havenstad.

 

En iedere dag als ik de wereld groet,

hou ik van iedereen die ik op straat ontmoet.

En elke nacht droom ik van iedereen,

zie ik de mooie wereld glinsteren om mij heen.

 

’k Draag juwelen om mijn hals; een geluksamulet

die vanavond kansen biedt.

Ik verlang zo naar die ene volmaakte die ik

kan verleiden met mijn lied.

 

Ik loop ’s avonds langs de kaden en zie alle schepen,

de wereld trekt voorbij.

Barcelona en New York, Rotterdam en Piraeus,

ze liggen zij aan zij.

 

’k Heb lang gezocht naar de verborgen schat,

die mij betoverd heeft, in deze havenstad.

Ik hoor de klank van liederen in de nacht,

kreten, gelach, lawaai, boordevol levenskracht.

 

 

STUURLOOS

 

In mijn kooi, het houtwerk kraakt,

de airconditioning

zingt een lied.

Nog een laatste sigaret

dan drijf ik stuurloos op de zee

van de slaap.

En het stalen schip

wiegt rustig op de golven voort.

 

O jij grijze moeder

zo mooi en zo verschrikkelijk.

Je belooft mij alles,

toch ontzeg je mij je lichaam.

 

In mijn kast, een portefeuille

met daarin een foto

van een vrouw.

Varen wil ik in haar ogen

op de blauwe wateren

van de hoop.

In de witte lijst

blijft zij onbereikbaar ver.

 

Ach die dorst is niet te lessen

– al dat water om je heen

al dat water in die ogen –

nergens vind je een bestemming.

 

En een golf slaat met een schreeuwen

over de verschansing

van het hart.

Eenzaamheid trekt

zoute sporen op

de zeemanshuid.

P. Goedhart

 

 

Ontmoeting

Soms
als ik denk
dat de eeuwen elkaar altijd
mislopen
en de zin van het verleden
ermee verdwijnt,
dan kijk ik naast mij.
Een man van tachtig zit
te zitten als vroeger, maar
wel
als stampot in de zomer.
Kan de ochtendspits nog lomer?
Zijn oogjes sprankelen nog
zijn jeugd.
Hij geurt naar wekpotten in de
bezemkast
en voelt, als ik hem zou
betasten,
naar vadertje Drees,
wiens hand dit lage land
herrees.
Zijn grip vervaagt en mistig
zijn eeuw
in het wandelen van de tijd.



Nooit


Het ijs van de wereld heeft nog nooit zo koud geklonken.
De tijd nooit eerder onthandzamer dan ‘nee’.
De jeugd in mijn adem nooit dieper gezonken,
en tranen nooit zouter dan die van de zee.

Het talen naar vrede nooit sipper dan weemoed.
Het dralen met rede nooit heter dan peuken.
Contact met berooiden nooit mooier dan voorspoed,
en dichten nooit grijzer dan geletterd neuken.

Het hart was nooit eerder als liefde met spruitjes.
De haat niet eerder correcter dan ‘juist’.
De lach nooit triester in t’spiegelen van ruitjes.
En troost nooit bleker, een wankele knuist.



Thema Thuis(14-2-2008)


Het was even zoeken naar waar
mijn zinnen hun gelag genieten en
waar mijn woorden een puntje
krijgen, waar mijn hart gelijk opgaat
met het klokje dat tikt
zoals het nergens tikt. Waar mijn
lach
wordt ontvangen zonder schamper.
Daar waar de schaal altijd rondgaat,
belegd met troost en toast.
Daar waar mijn biertje klaarstaat.



Aurora Guds
 

MEGAMORFOSE

 

‘U kent mij wel, u kent mij niet –

ik ben de havens van de stad

en transformeer zoals u ziet.

De schepen gingen in mij binnen,

de mannen werkten aan mijn zij,

ik transporteerde allerlei,

maar ga iets groots & nieuws beginnen.

Maak mij open, pak mij uit,

en zie de dolle toekomstsprongen

rond mijn schone waterlongen:

rechts in Noord en links op Zuid.

Mijn naam luidt Sheherazade –

van grote woorden, grootse daden.’

 

BITTERBALLEN

 

Ik leef gezond,

ik doe aan sport,

gezellige sport,

gemengde sport,

zondagse sport.

Je zit er bij,

met iets te drinken erbij.

Je doopt om beurten

een bal in de kom,

brengt die zwierig

naar de mond en werkt

die in één, twee of drie

etappes naar binnen.

Ik zit op bitterballen,

met drie, zeven of zestien

aardige medeballers.

De ballen in ons restaurant

zijn gelukkig aan de

knapperige en vierkante kant.

 

OP LEVEN EN DOOD

 

Ik toost op leven en dood,

glas na glas na glas;

ik drink op leven en dood,

fles na fles na fles;

ik zuip op leven en dood,

kist na kist na kist –

en dan nog één...

 

Arie van der Ent