De dichters van zondag 16-03-2008

Kees Godefrooij

Hiltsje Jongsma

Patrick Prins

Anna Koster

Loes Essen

Michiel van Rooij

Floor Voerman

Frans Terken

Merrick van der Torren

Natja van Albeda

Koos Hagen

Bram de Waard

Lisan Lauvenberg

Jacob Verrek

Arie van Egmond

Mike Platenkamp

Gusta (Myriad)

Jan Vissers

Sander Brouwer

Hr. Achenende

Jan Willem van Hamel

John Zwart

Aurora Guds

Joop Scholten

Dirk Oudshoorn

Ronald Offerman

Wim Schroot

En hier onder enkele ingezonden gedichten

 

DE COLIGNY

Hij kijkt iets opzij
en alsof hij de vorige oorlog
heelhuids en zelfs met enige zwier
is doorgekomen, maar ook
alsof hij niet begrijpt waarom
ze weer een nieuwe begonnen zijn.

Het kost immers veel levens
en het is niet zeker
of het jouwe daar niet bij is.
De mensen echter spreken erover en
gedragen zich al alsof hij gewonnen is.
Enkel het doen rest.

Opzij van de meesten staat hij,
naast de zware gordijnen die hun
gulden franje op de vloer hebben liggen.
Nog even en het dansorkest zal inzetten
en de voeten zullen van de vloer komen,
blikken als degens worden gekruist,
nachten in het verschiet gelegd.

De Coligny, want hij is het,
kijkt naar het slanke glas
dat hij tussen de vingers houdt.
Er zit een bodempje van de wijn in.
Maar hij plaatst het op een hoog
tafeltje met ivoren poten en richt
de schreden naar het balkon.

Het is een diep donkere nacht,
sterren staan in dichte menigten
aan het firmament, een rosse schijn
danst op de gazons en de struiken
door de flambouwen, onrustig
in een ongemakkelijke wind.

---

AAN EEN ONBEKENDE

De beschrijvingen van de methodes
zijn het minst opwekkende
gedeelte van het geheel.

Ik krijt met zwart krijt
op het plein, het asfalt
van de parkeerplaatsen.
De geur van verbrand.

Ik weet niets om te zeggen.
Diep in mijn hart is verdriet
om jou,
waar je ook bent.

---

VERANDERLIJKHEID

De kleine Bach was eerst heel klein,
zijn longen wisten geen octaven,
het contrapunt zat nog diep.

Eisenach lag dromend waar het droomde,
geen supermarkt of snackbar open,
het overvliegend toestel bleef uit op zondag.

In de beek was vis en
op de weg was het leven niet zeker,
tot ver in het rond hingen de wolken.

Soms regende het dagen aan een stuk,
dan weer was de zon tiran,
de nachten hulden zich in duister.

Als Johann Sebastian bij Buxtehude zit,
is er al veel veranderd
maar veel lijkt hetzelfde gebleven.

Tegen de zijwanden staan het klavier
en de gehele muziektheorie
te rillen in hun ongeduld.

Kom, denkt Bach, laat ik gaan
en een en ander verrichten,
en hij gaat en doet.

Aan een boom zo volgeladen
mist men vijf, zes pruimpjes niet,
zou elders iemand dichten.

De geschiedenis kiest met zorg
waar ze de accenten legt,
milimeters neerslag, uren zon.

Het is een waarachtige kunst
met zo weinig mogelijk kennis
zo veel mogelijk te weten.

---

Jan Vissers

 

Alwin

shit man
ik kan er niet aan wennen
je telkens maar
als toen te kennen
en nooit als nu, als tegenwoordig
nou ja, jij nu, in deze tijd
wanhopig of balorig

je had je kapot gelachen
je had je kapot geschaamd
je had je kapot gepiekerd

net als wij nu over jou toen

was je pijn zo onzichtbaar?
was je actie gerechtvaardigd?
zou je het zo weer doen?


man ik mis je
nog steeds zo

erg

mooie gast

en in het ochtendlicht
hou ik nog steeds
je asbak vast


Auteur Mike Platenkamp
------------------------------

Schreeuwen in de storm

zie ik

in de luwte mijn kans

waar

zou ik

op een windstil moment

mijn stem

kunnen laten horen

of zelfs

mijn bloed laten vloeien

als boodschapper van hem

met de hoofdletter van haar
 
voor jou

danwel

voor andere geluiden zorgen

als was ik een spreekbuis

waar hogere machten zich van bedienden

ter vermaak

en mijn ego als inzet

te geef

of moet ik tevergeefs blijven

schreeuwen in de storm



Auteur Mike Platenkamp
------------------------------

 

Liebe ohne Worte  

dolce cantabile klingelt  mobiel
klanken mijn oren in
lees je op het display
je komt je komt! buitelt het van binnen
adem diep een ritenuto het gevolg 
voeten stamelen op de trap
tree
na tree
na tree
en daar is waar ik wacht
wat  komt
een gerucht, een ruis
in mijn nek een lichte bries
voel  warme gloed langs mijn rug
zachte lippen op mijn huid
geluidloos twee armen om mij heen
een opmaat en twee maten rust
tedere vingers door mijn haar
nek  hals in  dwingende greep
handen op mijn rug
sta ik bewegingloos
ben ik van jou
kan niet meer terug
luchtige sabbel aan mijn oor
ik hoor ademzucht
licht trillen van de lucht
je draait mij om met een ruk
zie halfopen mond
lees gedachten voel je ziel
vingertoppen sostenuto,
tokkelen lijnen in mijn schoot
ik begraaf mij ik wens niets meer ik ben jou
een lied vangt aan
een duetto espressivo gaat beginnen

tussen jou en mij
dit is beminnen
     

zeg het

 

zeg heel zacht
dat je me zo lief vindt
dat je me wilt beminnen
zeg
dat  mijn huid naar zoete bloesem ruikt
dat ik zo warm ben van binnen
zeg
dat mijn borsten vol en rijp zijn
dat mijn buik zo heerlijk welft
zeg
dat mijn billen mooi rond zijn
en dat is niet eens de helft
 
dan zeg ik
dat ik je zo lief vind
dat ik je wil beminnen
dan zeg ik
dat je huid verrukkelijk ruikt
dat je zo warm bent van binnen
dan zeg ik
dat je torso zo mooi is
en je buik gespierd en strak
dan zeg ik
dat je billen mannelijk zijn
en je dijen, met het grootste gemak
 
dat zeg ik jou dan
heel zacht

roosendaal

op het perron waar kanten
snijden hoeken scherpen en stampen
knarsen in mijn kop
klinkt het afscheidslied
laatste maal ontkennende rug
zonder omkijken ga je per
boemel naar t belgische terug
kadom kadom kadom
verlaten station
barstenloos gezin
hompeldestrompel glijd ik de leuning langs
chauffeur, deze loodzware eastpak (rugzak)
moet naar huis draagt u hem

en mij

        astublieft?      

fruitig rijm  

een banaan zei eens met diepe zucht
waarom ben ik toch zo'n kromme vrucht
over mijn voorkomen ben ik tevreden
doch liever was ik recht van lijf en leden
 

een sinaasappel die hem hoorde klagen
sprak: kom, kom, zoveel hoef je niet te dragen
kijk eens naar al die putjes op mijn bol
zo'n huid te hebben maakt pas dol
 

de banaan zag in welk geluk hij had
met zijn gele vel, strak en zonder gat
zei daarop: over mijn inhoud ben ik opgetogen
toch was ik liever ongebogen
 

twee appels hebben dit vernomen
en de banaan goed beetgenomen
duwden hem recht, totdat hij riep : stil!
ik voel iets barsten onder mijn schil!
 

het lot van de banaan stond nu vast
bruin werd hij, over zijn hele bast
en niemand kon voorkomen
dat hij in de pudding werd opgenomen
 

moraal van dit verhaal
barsten kunnen we allemaal
   

 

Myriad

 

panta rei

 

 

pieren, lichten op hoge ijzeren

staketsels in de open omarming

waaruit wij ontkwamen

vervagen al achter de kim

 

mijn boeggolf in onverbroken tuimeling

schuift bruisend langs mijn flanken

in nimmereindig tijdverdrijf

verkleint nu in ver verleden

 

onontkoombaar hoe de kleuren

van de tederste omhelzing

reeds verbleken

 

 

 

John Zwart

 

Alweer voorjaar
Daar zijn ze weer,
foto,s van vroege lammetjes.
Geklets over wind,
die ze voorjaarsstorm noemen.
Eerste kalfjes, bloemetjes en andere onzin
En wat is het weer toch wild
Straks weer dat stomme eerste kievietsei
en zonaanbidders op het strand
Ik weet het wel, ik heb het wel gezien.
Maar morgen weer lezen
voor jou, zoals,
de eerste keer.

 

Den Haag
Bij Dudok dronken we koud bier,
met uitzicht op de macht.
Na een dag vol slenterpas en toeristenogen.
Noordeinde en Binnenhof, hup Holland hup,
de schouwburg en Lange Poten.

Natuurlijk indisch eten en het ijspaleis
snachts in de Passage hoorden we,
eenzame stappen onvast en hol.
s' Morgens katerig bij Mesdag
en daar pas schoten mijn ogen vol.

Bij golven en scheepswrakken
vissersvrouwen en eenzaam kind.
Nederlandse luchten en stoere mannen
tegen hoge golven en felle westenwind.

 

Antibes

Het kasteel
Vol licht en de zee die zo blauw is
Met de lucht en cipressen
Om daar te wonen met die kleuren
Al die kleuren en dat moois
En jij die daar staat
en waarschijnlijk aan iets anders denkt
Aan vroeger.
Met verre ogen
Of in je hoofd luistert
Naar het concert voor de doden
Terwijl ik niets hoor
Ik leef om te kijken
Naar al dat moois
Van jou

Ronald Offerman

Frije fal  


Barstende fol ferbylding
stroffelje ik
oer in tip fan 'e wale
tûmelje foaroer

yn 'n dobberleaze djipte

mei oanlearde frije slach
meitsje ik my út de fuotten
kjeld hâldt my geande
oant ik stykje yn slyk

sleep mysels
nei wer ljocht leit
en wurd dy gewaar

de baarnende sinne
skuort bagger

ik brek út myn modderjurk

en lis my neist dy del
do pelst de lêste skibkes
fan myn wite hûd
en fangst in fisk.


_*_


Vrije val


Barstensvol verbeelding
struikel ik
over een tip van de sluier
tuimel voorover

in een dobberloze diepte

met aangeleerde vrije slag
maak ik me uit de voeten
koude houdt me gaande
tot ik strand in slijk

sleep mijzelf naar
waar licht wacht
en word jou gewaar

de brandende zon
scheurt bagger

ik breek uit mijn modderjurk

en leg me naast je neer
jij pelt de laatste scherven
van mijn witte huid
en vangt een vis.

© sinneskyn /  Hiltsje Jongsma


 

Hegedruk  



de sinne strielt as in breid
foar it ferkearde alter
as ik oer it âlde tsjerkhôf
doarmje, dat bedobbe leit
ûnder in wite wale

de winterwyn wachtet ôf -
ûnferweechlik
yn it each fan 'e stoarm

sûnder roer iepenje ik
't foarporteal, gean it skip yn
en snij de tichte koelte troch

in betide flinter ferlit
de âlde hearebanken
ik folgje har

oan ta it hege finster
wêrefter ien foar ien
grêven oan 't ljocht komme


ik set alle seilen by


© sinneskyn



_*_



Hogedruk



de zon straalt als een bruid
voor het verkeerde altaar
als ik over het oude kerkhof
dool dat bedolven ligt
onder een witte sluier

de winterwind wacht af -
onbewogen
in het oog van de storm

open ik roerloos
het voorportaal, ga het schip in
en doorsnijd de stijve koelte

een vroege vlinder verlaat
de oude herenbanken
ik volg haar

tot het hoge venster
waarachter één voor één
graven aan het licht komen


ik zet alle zeilen bij



© sinneskyn / Hiltsje Jongsma
 

 

‘murf

 

 

De smurf is murw geluld

in de schappen van Bart Smit. Zijn functies

blokkeren tussen trends die spreken en hij niet kent,

met hun holheden luid megafoon door de gangen.

Zijn frats van de bovenste plank ligt afgedankt

aan de bosrand, zijn blauwwitte frasen uit de naamtaal

verschraald. Verroest! Verrot staat de waterkraan droog,

waaruit gnomen in drommen stromend kinderdromen

als happymealkado ooit tot werkelijkheid spoten.

Met kwinkslagen verflauwend,

het sleutelgat vernauwend,

de kinderhand gevuld:

de smurf is murw geluld,

 

een miezer, uitgerangeerd.

Zelfs een kabouter van Poortvliet, een lied, een ei

met surprise, Bassie met sikken van grappen,

alles valt in het niet, als teletubbies plots opgevoerd

aan lianen verslingerd raken, Calimero een rotsblok werpt of

eendje O.J. Kwak raakt betrokken in herhaling 8 met

een nog diepere boodschap om bij wakker te liggen en

helemaal als spinachtige fusieheld Spideractionlionman

zich stampend en bomen zwiepend meldt

en het duel niet schuwt,

het kinderspel verruwt,

de bad guys bombardeert

en miezers uitrangeert.

 

De smurf is murw geluld

door stemmen Romeins stoppelraspend hard,

gelikt joystickend door de televisiereclame die

breedbeeldig ramen ingooit als kampioenen doen.

Met hinkepoten trekken de blauwtjes terug naar het zuiden,

waar de tovenaar nog tovert, een oude man is,

een meisjesengel en zij met een lied vol water-

kranen en gaten de wereld veroverden, zoals heden

de Power Turtle met de knoet. Het zuiden roept

met Vader Abraham

die uit die streek ook kwam

in nevelen gehuld.

De smurf is murw geluld.

 


                                  Tessel

 

 

Waar op de zee was gewonnen verwonderden we ons

in strandgewandel, dwarrelgejut, zonder doel dan alleen

samen: wind tegen, en linksomkeert in de rug, op zoek naar

het zandhart dat we trokken. Met de pijl die de jeugd wees.

 

Ook dat spaarde het water. De dag was ons goedgezind,

dat er kon worden gezongen. Vol als door werklui aan de

Eierlandse polder. Ook later in jouw klein Wales. Waar grillig

achter wallen een morgen te ver Georgiërs zinloos vielen.

 

Almaar kleinsteeds, de dorpse kerk die zijn uren rondsloeg,

de ogen trots op allen gericht. Geen baken, meer als klop

op de schouder: we zijn heerlijk struinen. Vennen, dennen,

duinen. Als verrukkelijk los te vegen zand namen we beelden

 

mee het café in. Je droge witte, mijn winterbier, veilig onder

een dozijn balken. Een dag avonturieren zonder gevaar.

Elkaars warmte, van bijna lente ook. Lang nog bleef het licht

nadekenen in zwemen rood. Over nimmer zo tevreden zee.




Reprospectief
 
 
Verleden beelden zoemen je toe tot cinemazacht gras.
Zo laat je je zien in woorden mij gezonden, zo snel
en dankbaar aanvaard: als je was, dus je bent,
want mij zo vers verschenen, ieder teken nieuwteder.
 
Je toont me een film flinterdun van zolder opgediept
onder luchten waar lichte huizen breed uit ademen,
wanen de kinderen uit die lieve wolken geen verhaal,
druk door grillige types bevolkt? Dat bestaat.
 
Intussen kabbelen pianoklanken een nazomerse wijs
voort, je ziet en hoort het met de camera
‘s vooravonds obscuur aan. Kijk je me om. En verder?

 

Arie van Egmond

 

Een boom aan de gracht

 

 

Een boom denkt niet zoals een mens

droomt niet van verder weg

of later

zijn verbeelding hangt in een groene wolk om hem heen.

 

Soms krijgt de wind er vat op

een jonge hond

die blaffend met zijn staart speelt

in steeds wilder kringen ronddraait die er zelf van duizelt.

 

De wind wankelt dan als een dronkeman.

 

Het is een wellust die de boom niet kent

zelfs in dat laatste uur

als hij los

wordt gerukt van zijn wortels.

 

En valt. Maar deze staat er nog. Een boom, zo staat hij.

 

 

© Joop Scholten 2007, www.joopscholten.nl

 

-

 

De dag

 

 

De dag staat op

wacht op zijn eigenaar

 

je moet al even helder zijn 

en even tegenwoordig

om hem te mogen opeisen

 

niet als de grijsgestreepte meute

de mummelaars uit een verleden eeuw

 

de roestvrijstalen rekenaars haastige

dragers van een digitale toekomst

 

niet de nachthoofdigen de tijdverdrijvers

 

de meisjes dromen van de liefde

die nog lang en gelukkig is

 

de dichter streelt zijn woorden

poetst ze tot schitterende

beelden schept zijn eigen zon

 

het kind valt uit zijn spel in slaap

de stervende houdt op met ademen

 

het licht golft aan

en stroomt weer weg

de regen gaat vanzelf voorbij

 

de avond valt

de vogels zijn vertrokken

de wind is ergens heengewaaid

 

de dag tot hij voorbij is

wacht op zijn eigenaar

 

de nacht daarna is niemandsland.

 

 

© Joop Scholten 2008, www.joopscholten.nl

 

-

 

De meisjes

 

 

Zo onstuimig als de meisjes

van tegen middernacht

zo hals over kop

zijn ze daarna niet meer

 

of zo sereen als de meisjes

van het enkele uur

zij zweven in stilte

weg tussen de sterren

 

maar de liefste de dromende

dat zijn de meisjes

van iets over half vier

 

zo nacht en zo verzadigd

 

slapen zij in hun warme

holletjes laten zich

op de tast aanraken

 

en wat dan nog

 

alleen nog de meisjes

van vijf voor zes

zo op het randje zo absoluut

op het randje en er over

 

wandelen zij ongestraft

de morgen in laten jou

in ontreddering achter

 

die meisjes die je wel kent.

 

 

© Joop Scholten 2007, www.joopscholten.nl

 

 

Aurora Guds

 

 Overgewaaid thema

 

Het zou zomaar een kind in de wind,

een naam als een puzzel van letters,

de begenadigde wind van het kind,

of ontluchting van darmgas, als je staat op iets netters.

 

Hoe meewarig de lente begint

en de heikel van mijn koppig spreken,

jouw zwijgen-voor-de-lieve-goede-vrede hervindt

en toch de raad niet schaadt, daarmee vergeleken.

 

Als maar gauw de moord van het woord,

een streep als een veelvoud van puntjes,

het begenadigde woord tot de moord

over waait en betaalt in klinkende muntjes.

 

Utrecht Centraal

 

Stemmen, treinen, mensen.

Lopen naar het perron.

Een beetje gehaast.

Dat altijd.

 

Stemmen, treinen, mensen.

Aankomen en zien

dat de trein plus minus

20 minuten vertraging heeft.

 

Stemmen, treinen, mensen.

Opeens klinkt luid:

“Wil de moeder van Gerard Oudewater

zich melden bij de Ticket & Servicebalie!”

 

Stemmen, treinen, mensen,

Veel mensen, en nogmaals:

”Wil de moeder van Gerard Oudewater

zich melden bij de Ticket & Servicebalie!”

 

Stemmen, treinen, mensen,

en ik bedenk mij, dat Gerards moeder

misschien wel in het bejaardentehuis

woont, ergens in het Gooi.

 

Stemmen, treinen, mensen,

en dat die Gerard

een succesvolle zakenman is,

meestal hier met een aktetasje rondloopt.

 

Stemmen, treinen, mensen.

Ze lopen tegen Gerard aan,

maar Gerard tuurt over hun hoofden heen;

hij is zijn moeder kwijt.

 

Jeugdvriendin

 

School was ons leven

en het was in die tijd

dat wij in dat bijgebouw zaten,

bij die snoepwinkel om de hoek.

Chips halen.

Jij kaasflips, ik pindakaasflips.

Sjors en Sjimmie op zijn meisjes.

Hij was die jongen met die schrille stem.

Toen hij met Frans die spreekbeurt hield,

kreeg hij een negen,

omdat, verklaarde die sjampot-bril dragende meester,

hij op die kenmerkende nonchalante franse wijze

sprak, schijnbaar op zijn gemak en totaal onverstaanbaar,

zodat je aan de lippen gekluisterd zat, tegen beter weten in

omdat je het uitgesprokene simpelweg niet ongehoord wilde laten.

Die jongen is er nu de eigenaar van.

Van dat dichterscafe. Leuk he?!

Ja leuk.

Ik verwachtte dat hij wel iets met taal zou gaan doen.

Dat doet hij in feite toch ook!

Ja. Tja, inderdaad.

 

 

Aurora Guds 

 

O WEE

Is het Zeus, die over waait,

De wereld met zijn zaad bezaait

En zich de beroerte naait,

En Hein het dan weer neder maait ?

Nee, beste lieden, zo is het niet,

Er is geen god, die men ooit ziet,

Al zingen wij het hoogste lied,

En sterven geeft ons veel verdriet,

En laat de wind maar rustig waaien,

En laat ons hart van liefde laaien,

Later gaan wij toch naar de haaien,

Maar eerst wat zaadjes zaaien.

  WAT WAAIT OVER

Wat waait de wind weer wild,

Toch  kan de storm nog wilder,

Wat waait en stormt voor d’islamiet  !

Het is waarempel   Wilders  -(niet ?) .

 

De dood bestaat niet

De dood bestaat niet,

De grote wiskundige  L.E.J.  Brouwer, sollepsist,

Had het eeuwige leven, zei hij.

“Dood bestaat voor mij niet”.

Hij heeft het nooit gemerkt en nooit weersproken.

Je eigen dood beleef je niet en die van anderen kan je niet schelen.

   Een gedicht dat niet rijmt

Wat waait over, treurnis niet,

Het leven overkomt  je, poëzie,

Het zingen zet wel zoden aan de dijk,

Maar zonder melodie, geen ge.., ge.., ge

Het mag niet rijmen , dus ga ik maar door,

Niet huilend, maar wel, diep bedenkend;

Waartoe het leidt, eindigheid.

 

   ONLANGS

Onlangs was ik in de hemel,

Ik heb er god meteen maar uitgetrapt.

Het moet tenslotte wel gezellig blijven

En zonder god valt wel te lachen.